ECLI:NL:CRVB:2026:23
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Ziektewet-uitkering wegens ontbreken gezagsverhouding
Appellant was ziekgemeld vanuit een dienstbetrekking bij een bedrijf en ontving vanaf 1 augustus 2019 een Ziektewet-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering omdat appellant meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen. Na een fraudemelding vanuit het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC) voerde het UWV een eigen onderzoek uit en concludeerde dat er sprake was van een gefingeerde dienstbetrekking zonder gezagsverhouding, waardoor appellant niet als werknemer kon worden aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het procesdossier incompleet was omdat het UWV de RIEC-stukken niet had ingebracht, wat volgens hem in strijd was met artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV niet verplicht was deze stukken in te brengen omdat zij niet ter beschikking stonden van het bestuursorgaan en het UWV een eigen onderzoek had verricht.
Verder stelde appellant dat hij wel een leidinggevende functie had, maar dit werd niet gevolgd omdat zijn eigen verklaringen en het onderzoek van het UWV dit tegenspraken. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de intrekking van de ZW-uitkering per 1 augustus 2019. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De intrekking van de Ziektewet-uitkering per 1 augustus 2019 wordt bevestigd wegens het ontbreken van een gezagsverhouding.