ECLI:NL:CRVB:2026:23
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking van ZW-uitkering en de vraag naar de volledigheid van het procesdossier in hoger beroep
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep over de intrekking van de ZW-uitkering van appellant per 1 augustus 2019. Appellant betwistte dat het procesdossier compleet was, omdat het Uwv geen stukken van het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC) had ingediend. De Raad oordeelde dat het Uwv op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet verplicht was deze stukken in te brengen, omdat deze niet ter beschikking stonden van het Uwv en niet relevant waren voor de besluitvorming. Het Uwv had voldoende gemotiveerd dat de RIEC-stukken niet behoorden tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam, die het bezwaar van appellant ongegrond had verklaard. De Raad concludeerde dat de intrekking van de ZW-uitkering terecht was en dat appellant geen bewijs had geleverd dat zijn stelling over de onvolledigheid van het dossier zou ondersteunen. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheden van het bestuursorgaan in het aanleveren van relevante stukken en de voorwaarden waaronder deze stukken moeten worden ingediend.