ECLI:NL:CRVB:2026:231
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens gefingeerd dienstverband
Appellante diende een WW-uitkering aan na een dienstverband bij werkgever B.V. van januari tot augustus 2018. Het UWV startte een onderzoek naar gefingeerde dienstverbanden bij deze werkgever naar aanleiding van interne fraudemeldingen en stelde vast dat appellante niet als werknemer verzekerd was voor de WW. Het UWV trok de uitkering met terugwerkende kracht in en vorderde het bedrag terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond. Ook was er geen sprake van vooringenomenheid of etnische profilering bij het onderzoek. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek blijk gaf van institutionele vooringenomenheid en dat haar privacyrechten waren geschonden, maar deze stellingen werden verworpen.
De Raad bevestigde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, dat de risicokenmerken niet onrechtmatig waren toegepast en dat appellante geen objectief tegenbewijs had geleverd. De Raad oordeelde dat het UWV verplicht was de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen en dat er geen dringende reden was om hiervan af te zien. Het hoger beroep werd afgewezen en de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WW-uitkering wegens een gefingeerd dienstverband blijft in stand.