ECLI:NL:CRVB:2026:239

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
24/1768 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 ToeslagenwetArt. 11a ToeslagenwetArt. 20 Toeslagenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering te veel betaalde toeslag op WAO-uitkering zonder dringende reden

Appellante ontvangt sinds 2001 een WAO-uitkering en sinds 2007 een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Het UWV beëindigde de toeslag per 1 mei 2023 vanwege hogere gezamenlijke inkomsten dan het sociaal minimum. Appellante ontving echter nog toeslag over mei en juni 2023, waardoor zij €1.421,58 te veel ontving. Na bezwaar corrigeerde het UWV dit bedrag naar €645,54, omdat de inkomsten van haar partner waren gewijzigd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde de terugvordering. Appellante voerde in hoger beroep aan dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien, onder meer vanwege haar leeftijd, schuldenlast en het ontbreken van een belangenafweging door het UWV.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen en dat het teruggevorderde bedrag is verrekend met een nabetaling, waardoor appellante dit niet uit eigen middelen hoeft terug te betalen. De enkele stelling van een andere schuld leidt niet tot een onevenredige terugvordering. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €645,54 te veel betaalde toeslag wegens ontbreken van dringende redenen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1768 TW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juni 2024, 23/6827 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 4 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht een bedrag van € 645,54 bruto aan onverschuldigd betaalde toeslag van appellante heeft teruggevorderd. Volgens appellante is er sprake van dringende redenen om van de terugvordering af te zien. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Kaplan, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. O.C. Bozbiyik, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 november 2025. Voor appellante is mr. N. Talhaoui, advocaat en kantoorgenoot van mr. Bozbiyik, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontvangt vanaf 22 oktober 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Vanaf 13 augustus 2007 is haar een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) op de WAO-uitkering toegekend.
1.2.
Het Uwv heeft bij besluit van 5 juli 2023 de toeslag die appellante op grond van de TW op haar WAO-uitkering ontving met ingang van 1 mei 2023 beëindigd omdat de totale inkomsten van haar en haar partner hoger zijn dan het sociaal minimum. Appellante heeft over de periode van 1 mei 2023 tot en met 30 juni 2023 nog toeslag ontvangen waardoor zij € 1.421,58 bruto te veel toeslag heeft ontvangen. Dit bedrag moet zij terugbetalen.
1.3.
Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 6 oktober 2023 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 juli 2023 gegrond verklaard. De gezamenlijke inkomsten waren onjuist berekend. Appellante heeft nog steeds recht op toeslag per 1 mei 2023. Appellante heeft over de maanden mei en juni 2023 op basis van haar inkomsten wel te veel toeslag ontvangen. De reden hiervan is dat het Uwv geen rekening heeft gehouden met de gewijzigde inkomsten van haar partner. Zijn WIA-uitkering is per 1 mei 2023 gestopt, omdat hij vanaf deze datum pensioen en een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet krijgt. Het Uwv heeft € 645,54 bruto te veel toeslag betaald. Dit bedrag is van appellante teruggevorderd. Het Uwv is niet gebleken van een dringende reden om van terugvordering af te zien.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Het staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat appellante over de periode van 1 mei 2023 tot en met 30 juni 2023 ten onrechte te veel toeslag heeft ontvangen. Verder is komen vast te staan dat het teruggevorderde bedrag inmiddels is verrekend met appellante nog toekomende toeslag. Het Uwv is verplicht om onverschuldigd betaalde toeslag terug te vorderen, ook bij een mogelijke fout van het Uwv, tenzij sprake is van dringende redenen. Appellante heeft haar beroep op dringende redenen niet onderbouwd. De rechtbank heeft vastgesteld dat in dit geval geen sprake is van brutering van de terugvordering omdat het onverschuldigde bedrag al verrekend is.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het Uwv had op grond van dringende redenen van de terugvordering van € 645,54 af moeten zien. Zij heeft namelijk ook een andere schuld ter hoogte van € 7.000,-, heeft een relatief hoge leeftijd en zal tot aan haar pensioen schulden moeten aflossen terwijl zij niet in staat is om met arbeid een hoger inkomen te genereren. Daarbij heeft het Uwv nagelaten om een belangenafweging te maken, te meer omdat geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht en omdat het Uwv op de hoogte was of had moeten zijn van het inkomen van de partner.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over terugvordering van de teveel betaalde toeslag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt
.De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn (ook) te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Over de periode van 1 mei 2023 tot en met 30 juni 2023 heeft appellante te veel toeslag ontvangen. Op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW is het Uwv verplicht de onverschuldigd betaalde toeslag van appellante terug te vorderen. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het Uwv op grond van het vijfde lid besluiten om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien.
5.2.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 [1] heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
5.3.
De Raad is van oordeel dat het Uwv in de situatie van appellante alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden heeft meegewogen. Niet is gebleken dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de financiële gevolgen van de terugvordering voor appellante. Het teruggevorderde bedrag is verrekend met een nabetaling van toeslag aan appellante, zodat zij dit niet van haar lopende uitkering hoeft terug te betalen. De enkele stelling dat appellante een andere schuld heeft bij het Uwv leidt er ten slotte niet toe dat de terugvordering in deze zaak onevenredig is.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de terugvordering van de te veel betaalde toeslag in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en D.S. de Vries en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.

(getekend) E. Dijt

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Toeslagenwet

Artikel 6
1. Als inkomen wordt aangemerkt:
a. voor een gehuwde: de som van het inkomen uit arbeid of overig inkomen van hemzelf en van zijn echtgenoot;
[…]
Artikel 11a
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van toeslag en terzake van weigering van toeslag, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag;
b. indien anderszins de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op toeslag bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 20
1. De toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
2. In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of
d. een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.
[…]
4. De in het tweede lid, onder a en b, genoemde termijn is drie jaar indien:
a. het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 12.
5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
[…]

Voetnoten

1.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.