Appellant heeft een AOW-pensioen aangevraagd waarbij hij aangaf in Jamaica, Schotland en het VK te hebben gewoond en gewerkt. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende hem een AOW-pensioen toe met korting vanwege niet-verzekerde jaren. Na bezwaar en beroep stelde de Svb de korting bij, maar bleef bij de conclusie dat appellant niet verzekerd was voor de AOW in de betreffende periodes.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat de Svb terecht niet verzekerde jaren had vastgesteld. De Raad beoordeelde drie periodes afzonderlijk, waarbij het Europese Verordening 1408/71 en het nationale recht werden toegepast. In periode 1 (Jamaica) en periode 2 (Schotland) was appellant niet verzekerd omdat hij geen duurzame band met Nederland had en niet onder de verordening viel. In periode 3 (VK) viel appellant onder de verordening en was uitsluitend verzekerd in het VK.
De Raad verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond en vernietigde dit, maar verklaarde het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. De herziening en terugvordering van te veel betaalde AOW en AIO blijven in stand. De Svb werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.