Appellant heeft een AOW-pensioen aangevraagd waarbij hij aangaf in Jamaica, Schotland en het Verenigd Koninkrijk te hebben gewoond en gewerkt. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende hem een AOW-pensioen toe met een korting vanwege niet-verzekerde jaren. Na een definitief besluit en herziening volgde een terugvordering van te veel ontvangen pensioen.
Appellant maakte bezwaar tegen de besluiten, maar de Svb handhaafde de korting en terugvordering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die het beroep tegen het eerste besluit gegrond verklaarde en het vernietigde, maar het beroep tegen het tweede besluit ongegrond verklaarde.
De Raad beoordeelde de verzekeringsstatus van appellant over drie periodes aan de hand van Europese en nationale wetgeving. Voor de periodes in Jamaica en het VK was appellant niet verzekerd voor de AOW omdat hij niet als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd en onder de sociale zekerheidswetgeving van het VK viel. De herziening en terugvordering van het pensioen blijven daarom in stand.
De Raad veroordeelde de Svb tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant. De uitspraak vernietigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en bevestigt de korting en terugvordering van het AOW-pensioen.