ECLI:NL:CRVB:2026:283

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
24/960 AOW e.v.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 AOWArt. 6 AOWArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 1 Vo 1408/71
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzekering AOW tijdens verblijf en werk in Jamaica, Schotland en VK

Appellant heeft een AOW-pensioen aangevraagd waarbij hij aangaf in Jamaica, Schotland en het VK te hebben gewoond en gewerkt. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende hem een AOW-pensioen toe met korting vanwege niet-verzekerde jaren. Na bezwaar en beroep stelde de Svb de korting bij, maar bleef bij de conclusie dat appellant niet verzekerd was voor de AOW in de betreffende periodes.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat de Svb terecht niet verzekerde jaren had vastgesteld. De Raad beoordeelde drie periodes afzonderlijk, waarbij het Europese Verordening 1408/71 en het nationale recht werden toegepast. In periode 1 (Jamaica) en periode 2 (Schotland) was appellant niet verzekerd omdat hij geen duurzame band met Nederland had en niet onder de verordening viel. In periode 3 (VK) viel appellant onder de verordening en was uitsluitend verzekerd in het VK.

De Raad verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond en vernietigde dit, maar verklaarde het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. De herziening en terugvordering van te veel betaalde AOW en AIO blijven in stand. De Svb werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen het tweede besluit wordt ongegrond verklaard; appellant heeft geen recht op een hoger AOW-pensioen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/960 AOW, 25/2443 AOW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 maart 2024, 23/62 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 26 februari 2026

SAMENVATTING

In deze zaak oordeelt de Raad dat de Svb appellant terecht niet verzekerd heeft geacht voor de AOW voor de periodes waarin hij in Jamaica, Schotland en het VK heeft verbleven en/of gewerkt. Hij heeft daarom geen recht op een hoger AOW-pensioen. Ook de herziening en de terugvordering blijven in stand.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Svb heeft schriftelijke vragen van de Raad beantwoord en een nieuw besluit genomen.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Os. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft op 25 januari 2021 een AOW [1] -pensioen aangevraagd. Daarbij heeft hij opgegeven dat hij onder meer in Jamaica en het VK [2] heeft gewoond en gewerkt. Met een besluit van 10 maart 2021 heeft de Svb aan appellant vanaf 20 maart 2021 een voorlopig AOW-pensioen toegekend waarop een korting van 10% is toegepast vanwege, afgerond, vijf niet verzekerde jaren. Met een besluit van 14 april 2021 is aan appellant vanaf 20 maart 2021 een AIO [3] -aanvulling toegekend. Omdat appellant in het VK geen aanvraag heeft gedaan voor toekenning van een pensioen, heeft de Svb een aanvraag bij het zusterorgaan in het VK bevorderd.
1.2.
Op 4 juli 2022 heeft het zusterorgaan aan de Svb meegedeeld dat appellant vanaf 20 maart 2021 recht heeft op een pensioen uit het VK. Appellant heeft daarvan een nabetaling ontvangen. Met een besluit van 2 augustus 2022 heeft de Svb aan appellant vanaf 20 maart 2021 definitief een AOW-pensioen toegekend waarop een korting van 30% is toegepast vanwege, afgerond, 15 niet verzekerde jaren. Volgens de Svb is appellant niet voor de AOW verzekerd geweest van 2 februari 1981 tot en met 5 april 1986, van 6 april 1987 tot en met 5 april 1997 en van 11 juni 2015 tot en met 9 november 2015.
1.3.
Met een besluit van 11 augustus 2022 heeft de Svb het AOW-pensioen van appellant vanaf 20 maart 2021 herzien en het teveel betaalde pensioen over de periode maart 2021 tot en met juli 2022 van € 4.474,94 van appellant teruggevorderd. Met een tweede besluit van 11 augustus 2022 heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellant vanaf 20 maart 2021 herzien en het te veel betaalde bedrag over de periode van maart 2021 tot en met juli 2022 van € 922,77 teruggevorderd.
1.4.
Appellant heeft tegen de in 1.3 genoemde besluiten bezwaar gemaakt. Met een besluit van 7 december 2022 (bestreden besluit 1) is het bezwaar ongegrond verklaard. De Svb is bij de korting van 30% op het AOW-pensioen gebleven. Van dringende redenen om de herziening of terugvordering geheel of gedeeltelijk te beperken, is volgens de Svb niet gebleken.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee dit besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant over de periodes van 2 februari 1981 tot en met 5 april 1986 en van 6 april 1987 tot en met 5 april 1997 niet verzekerd is geweest voor de AOW. Appellant woonde en werkte in die periodes in Jamaica en het VK, waardoor hij op grond van de artikelen 2 en 6 van de AOW, dan wel op grond van Vo 1408/71 [4] , niet verzekerd is geweest. Op het AOW-pensioen van appellant is daarom terecht een korting van 30% toegepast. De Svb heeft terecht het AOWpensioen en de AIO-aanvulling herzien en het teveel betaalde bedrag teruggevorderd.
Hoger beroep en nieuw besluit Svb
3.1.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft de Svb op 14 november 2022 een nieuwe beslissing genomen op het bezwaar (bestreden besluit 2) ter vervanging van bestreden besluit 1. Met bestreden besluit 2 heeft de Svb de korting op het AOW-pensioen vastgesteld op 28%. Daarbij heeft de Svb onder toepassing van beleidsregel SB1027 [5] bepaald dat appellant over de periode van 2 februari 1981 tot en met 1 februari 1982 verzekerd is gebleven voor de AOW omdat het vertrek uit Nederland in die periode nog niet als definitief moest worden aangemerkt, zodat appellant in die periode het ingezetenschap nog heeft behouden. Over de periode van 2 februari 1982 tot en met 5 april 1986 en de periode van 6 april 1987 tot en met 5 april 1997 is appellant uitgesloten van verzekering voor de AOW, omdat hij in die perioden buiten Nederland werkte. Afgerond naar beneden is appellant 14 jaar niet verzekerd geweest. Appellant heeft daarom met ingang van maart 2021 recht op een AOW-pensioen met een korting van 28% in plaats van 30%. In verband hiermee heeft appellant een nabetaling van € 1.587,07 en een vergoeding van de wettelijke rente van € 236,96 ontvangen.
3.2.
Met bestreden besluit 2 is de Svb niet volledig aan de bezwaren van appellant tegemoet gekomen. Op grond van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het hoger beroep dan ook mede betrekking op bestreden besluit 2.
Het standpunt van appellant
3.3.
Appellant is niet eens met de uitspraak van de rechtbank en met bestreden besluit 2. Appellant heeft in essentie aangevoerd dat hij nooit uitgeschreven is geweest uit de GBA [6] ,waardoor hij in Nederland is blijven wonen en verzekerd is geweest voor de AOW. Appellant vindt daarom dat hij recht heeft op een hoger AOW-pensioen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt de aangevallen uitspraak aan de hand van wat appellant heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Omdat de Svb zich op het standpunt heeft gesteld dat de korting op het AOW-pensioen bij bestreden besluit 1 te hoog is vastgesteld, komt de aangevallen uitspraak van de rechtbank voor vernietiging in aanmerking, moet het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond worden verklaard en zal bestreden besluit 1 worden vernietigd. Omdat de Svb met bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellant, beoordeelt de Raad verder het beroep van rechtswege tegen bestreden besluit 2. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
De Raad ziet, anders dan de rechtbank en gelet op bestreden besluit 2 van de Svb, aanleiding om uit te gaan van drie periodes in geding waarover beoordeeld moet worden of appellant verzekerd was voor de AOW: 1) van 2 februari 1982 tot en met 30 april 1982, 2) van 1 mei 1982 tot en met 5 april 1983, en 3) van 6 april 1983 tot en met 5 april 1986 en van 6 april 1987 tot en met 5 april 1997.
4.1.
Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat bij besluiten op aanvraag de bewijslast ter onderbouwing van een aanvraag in hoofdzaak bij de aanvrager ligt. Dat geldt zeker in een geval als dit, waarin de te bewijzen feiten liggen binnen de invloedsfeer van de aanvrager. [7]
4.2.
Om te beoordelen of appellant verzekerd was voor de AOW zijn er twee relevante toetsingskaders: het Europese en het nationale. Voordat de drie periodes in geding worden beoordeeld, volgt hieronder eerst een korte uiteenzetting van beide toetsingskaders.
Toetsingskader Europees
4.3.
Voor de beantwoording van de vraag of appellant in de tijdvakken in geding al dan niet verzekerd was voor de AOW, moet in de eerste plaats worden bepaald of appellant binnen de werkingssfeer van Vo 1408/71 viel. Voor tijdvakken waarin appellant binnen de werkingssfeer van die verordening viel, bepalen de daarin opgenomen aanwijsregels namelijk welke socialezekerheidswetgeving op hem van toepassing was. Appellant kon alleen verzekerd zijn geweest voor de AOW als niet in die verordening de wetgeving van een andere lidstaat voor zijn situatie werd aangewezen. Artikel 13, eerste lid, van Vo 1408/71 bepaalt namelijk dat degene op wie die verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat is onderworpen.
4.4.
Appellant viel binnen de werkingssfeer van Vo 1408/71 als aan twee voorwaarden was voldaan. Er moest sprake zijn van een grensoverschrijdende situatie binnen de toenmalige EEG, [8] én appellant moest onder de personele werkingssfeer van Vo 1408/71 vallen. Dat laatste was alleen het geval als appellant verplicht of vrijwillig voortgezet verzekerd was tegen één of meer risico’s die werden gedekt door een stelsel van sociale zekerheid dat op werknemers of zelfstandigen van toepassing was. [9]
Toetsingskader nationaal
4.5.
Voor tijdvakken waarin appellant niet binnen de werkingssfeer van Vo 1408/71 viel, moet uitsluitend naar nationaal recht worden beoordeeld of hij verzekerd was voor de AOW. De hoofdregels daarvoor zijn neergelegd in artikel 6 van Pro de AOW. Dat was het geval als hij ingezetene was, dat wil zeggen: naar de omstandigheden beoordeeld woonde in Nederland. In artikel 2 van Pro de AOW is geregeld dat iemand ingezetene is als hij of zij in Nederland woont. Om te bepalen waar iemand woont, moet op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad [10] acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt erop aan of deze omstandigheden van zodanige aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Daarnaast kon appellant ook verzekerd zijn voor de AOW als hij of op grond van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid was onderworpen aan de loonbelasting.
Periode 1 (2 februari 1982 tot en met 30 april 1982)
4.6.
Appellant verbleef en werkte in periode 1 in Jamaica. Voor periode 1 geldt dat de aanwijsregels van artikel 13 van Pro Vo 1408/71 niet van toepassing waren omdat appellant zich weliswaar in een grensoverschrijdende situatie bevond, maar buiten de toenmalige EEG. Er zijn ook geen andere aanknopingspunten waardoor Vo 1408/71 in die periode op hem van toepassing zou kunnen zijn. Verder was er geen verdrag over sociale zekerheid tussen Nederland en Jamaica. Hieruit volgt dat de vraag of appellant verzekerd was voor de AOW beoordeeld wordt aan de hand van het nationale toetsingskader.
4.6.1.
Niet in geding is dat appellant in deze periode niet (meer) in Nederland werkte. Concreet moet daarom de vraag worden beantwoord of appellant ingezetene van Nederland was. Uit de beschikbare gegevens kan worden afgeleid dat appellant op 2 februari 1981 is uitgeschreven uit de GBA. Hij heeft zich op 1 mei 1986 weer laten inschrijven. Hij stond in periode 1 dus niet ingeschreven in de GBA.
4.6.2.
In periode 1 verbleef appellant verder al geruime tijd in Jamaica en werkte hij voor de [naam organisatie] in [plaats 1] . Na deze periode is appellant niet naar Nederland teruggekeerd maar heeft hij in het VK gestudeerd en daar aansluitend enkele jaren gewerkt. In die omstandigheden zijn er in periode 1 te weinig aanknopingspunten om nog te spreken van een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland. De Svb heeft dan ook terecht aangenomen dat appellant over periode 1 niet verzekerd was voor de AOW.
Periode 2 (1 mei 1982 tot en met 5 april 1983)
4.7.
In periode 2 was er sprake van een grensoverschrijdende situatie binnen de EEG. Toch was Vo 1408/71 in die periode niet op appellant van toepassing. Op de zitting van de Raad heeft appellant toegelicht dat hij in die periode een postdoctorale opleiding heeft gevolgd in [plaats 2] , Schotland. Hij volgde daar colleges en practica. Hij heeft toen niet gewerkt en was ook niet anderszins verzekerd voor een werknemersverzekering in het VK. Onder die omstandigheden viel appellant niet onder de personele werkingssfeer van Vo 1408/71.
4.8.
Daarom moet de vraag of appellant verzekerd was voor de AOW worden beoordeeld aan de hand van het nationale toetsingskader. Omdat appellant in de periode 1 al geen ingezetene meer was van Nederland en er geen aanknopingspunten zijn dat appellant in de daaropvolgende periode 2 opnieuw een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft opgebouwd, heeft de Svb ook voor periode 2 terecht bepaald dat appellant niet verzekerd was voor de AOW.
Periode 3 ( 6 april 1983 tot 5 april 1986 en 6 april 1987 tot en met 5 april 1997)
4.9.
Niet in geschil is dat appellant in periode 3 als waarnemend arts in loondienst heeft gewerkt voor [werkgever] in het VK. Op zitting heeft appellant verklaard dat hij in een accommodatie van het ziekenhuis verbleef, een zogenoemde doktersflat, omdat hij bereikbaar en oproepbaar moest zijn. Hij heeft in deze periode niet (ook) in Nederland gewerkt. Omdat appellant werkte als werknemer en blijkens de gegevens in het dossier verzekerd was voor de socialezekerheidswetgeving in het VK valt appellant voor periode 3 onder de werkingssfeer van Vo 1408/71 en was op grond van artikel 13, tweede lid, onder a, uitsluitend de socialezekerheidswetgeving van het VK op hem van toepassing. Het is in de situatie van appellant dan niet meer relevant of hij in deze periode in het VK of in Nederland heeft gewoond. Het gegeven dat appellant vanaf 1 mei 1986 weer ingeschreven stond in de GBA, geregeld naar Nederland kwam en hier geen pensioen heeft opgebouwd, kan daarom aan het voorgaande niet afdoen. Dit betekent dat hij over periode 3 niet aan de Nederlandse wetgeving was onderworpen en dat hij daarom niet verzekerd was voor de AOW.
4.10.
Wat appellant overigens schriftelijk en op zitting heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Appellant was in de periodes die nu nog in geding zijn niet verzekerd voor de AOW en heeft dus geen recht op een hoger AOW-pensioen. De herziening en de terugvordering zoals vermeld in het besluit van 14 november 2025 (met inbegrip van de bijbehorende brief van die zelfde datum over de nabetaling) blijven in stand.

Conclusie en gevolgen

4.11.
Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 1 wordt gegrond verklaard en bestreden besluit 1 wordt vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 2 slaagt niet. De Raad zal daarom het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaren.
Proceskosten
5. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. De kosten worden begroot op een bedrag van € 1.868,- voor rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- per punt) en € 1.868,- voor rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- per punt). In totaal worden de kosten voor verleende rechtsbijstand daarmee op € 3.736,- vastgesteld. De Svb moet ook het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 7 december 2022 gegrond en vernietigt dat besluit;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 14 november 2025 ongegrond;
  • veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.736,-;
  • bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en Y. Sneevliet en A. Hoogenboom als leden. In tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) F.M. Gerritsen
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Verordening EG 1408/71
Artikel 1
Voor de toepassing van deze verordening:
a. a) wordt onder „werknemer" en onder „zelfstandige" respectievelijk verstaan ieder:
i. i) die verplicht of vrijwillig voortgezet verzekerd is tegen een of meer gebeurtenissen, behorende tot de takken van een stelsel van sociale zekerheid dat op werknemers of zelfstandigen van toepassing is
(…)
h) wordt onder „woonplaats” verstaan de normale verblijfplaats;
i. i) wordt onder „verblijfplaats” verstaan de tijdelijke verblijfplaats;
(…)
Artikel 2 (tekst vanaf 1 januari 1982)
Deze verordening is van toepassing op werknemers of zelfstandigen op wie de wetgeving van één of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van één der Lid-Staten, dan wel op het grondgebied van één der Lid-Staten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen.
Artikel 13
1. Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.
2. Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:
a. is op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid- Staat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere Lid-Staat;
(…)
f) is op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een Lid-Staat zonder dat hij op grond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels of van één van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen.
Algemene Ouderdomswet
Artikel 2
Ingezetene in de zin van deze wet is degene, die in Nederland woont.
Artikel 6
1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

Svb beleidsregel ‘Einde verplichte verzekering na vertrek uit Nederland (SB1027)’

Indien een ingezetene uit Nederland vertrekt, heeft dit niet altijd tot gevolg dat de verzekering direct eindigt omdat als uitgangspunt geldt dat de band met Nederland, na vertrek naar het buitenland, slechts geleidelijk verdwijnt (zie bijvoorbeeld CRvB 15 juni 1994 en 22 juni 1994). Of de band met Nederland verbroken is, stelt de SVB vast op basis van het totaalbeeld van de feiten, waaruit in het concrete geval moet blijken of de betrokkene zijn woonplaats in Nederland heeft opgegeven. De SVB beoordeelt dit aan de hand van dezelfde criteria als die welke gelden voor ingezetenschap in Nederland (Zie SB1022 over ingezetene en wonen).
In dit verband onderscheidt de SVB drie situaties:
  • Betrokkene vertrekt uit Nederland met het voornemen om zich definitief in een ander land te vestigen. In dat geval geldt dat het ingezetenschap eindigt op de datum volgend op die van het feitelijk vertrek uit Nederland. Of het vertrek een definitief karakter heeft, moet blijken uit het totaal beeld van alle relevante omstandigheden.
  • Betrokkene heeft het voornemen om minder dan een jaar buiten Nederland te verblijven. In die situatie geldt dat het ingezetenschap niet eindigt, mits het - voorgenomen - verblijf buitenslands bedoeld is tijdelijk te zijn. Of sprake is van een tijdelijk verblijf buiten Nederland van minder dan een jaar moet blijken uit het totaalbeeld van alle relevante omstandigheden.
  • Betrokkene heeft het voornemen om langer dan een jaar buiten Nederland te verblijven en het vertrek heeft geen definitief karakter.
In de laatste situatie geldt als uitgangspunt dat naarmate betrokkene langer buiten Nederland verblijft het waarschijnlijk is dat de band met Nederland minder sterk wordt. In gevallen waarin het onderzoek naar de feitelijke omstandigheden niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een definitief verblijf in het buitenland beschouwt de SVB betrokkene het eerste jaar na het feitelijk vertrek uit Nederland (nog) als ingezetene. Na dat jaar beschouwt de SVB het ingezetenschap als geëindigd, tenzij betrokkene zelf aantoont dat de feitelijke omstandigheden het (voorlopig) handhaven van het ingezetenschap rechtvaardigen. Als drie jaar zijn verlopen na de datum van vertrek uit Nederland, beschouwt de SVB het ingezetenschap zonder meer als geëindigd. De periode van verblijf buiten Nederland heeft dan zo lang geduurd, dat betrokkene niet langer geacht wordt een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland te hebben. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen maakt de SVB op deze regel een uitzondering.
Indien met toepassing van voorgaande beleidsregels op de datum van vertrek uit Nederland vaststaat dat het ingezetenschap verloren zal gaan, dan merkt de SVB - ongeacht de vraag of de belanghebbende het voornemen heeft zich permanent in het buitenland te vestigen - het vertrek uit Nederland direct als definitief aan.
(…)

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.
2.Verenigd Koninkrijk.
3.Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen.
4.Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.
5.Einde verplichte verzekering na vertrek uit Nederland (SB1027).
6.6 Gemeentelijke Basisadministratie.
7.7 Zie de uitspraken van de Raad van 21 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4007 en van 22 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2255.
8.HvJEG 22 september 1992, 153/91, Petit, Jur. 1992, p. I-4973.
9.Artikel 2, eerste lid, jo. 1, aanhef en onder a, i, van Vo 1408/71.
10.Zie de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466 en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285.