Appellant, voormalig laboratoriummedewerker, is sinds 2012 arbeidsongeschikt na een ongeval op het werk. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid van 80-100% vast en kende een WGA-uitkering toe. Na een herbeoordeling in 2022 op verzoek van de ex-werkgever, stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 52,33% per 12 september 2022.
Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en stelde dat hij volledig arbeidsongeschikt is, dat het maatmaninkomen onjuist was geïndexeerd en dat het UWV handelde in strijd met het verbod van reformatio in peius. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV.
In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het UWV terecht het arbeidsongeschiktheidspercentage had vastgesteld en dat de heroverweging in bezwaar niet in strijd was met het verbod van reformatio in peius, omdat de verslechtering pas per 1 januari 2026 ingaat. Ook werd geoordeeld dat het maatmaninkomen correct was geïndexeerd en dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde voor zijn volledige arbeidsongeschiktheid. De geselecteerde functies door de arbeidsdeskundige waren passend.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep van appellant af. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding toegekend.