ECLI:NL:CRVB:2026:355

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
24/2117 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:11 AwbArt. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 8, tweede lid Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 52,33% en rechtmatigheid heroverweging UWV

Appellant, voormalig laboratoriummedewerker, is sinds 2012 arbeidsongeschikt na een ongeval op het werk. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid van 80-100% vast en kende een WGA-uitkering toe. Na een herbeoordeling in 2022 op verzoek van de ex-werkgever, stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid vast op 52,33% per 12 september 2022.

Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en stelde dat hij volledig arbeidsongeschikt is, dat het maatmaninkomen onjuist was geïndexeerd en dat het UWV handelde in strijd met het verbod van reformatio in peius. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV.

In hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het UWV terecht het arbeidsongeschiktheidspercentage had vastgesteld en dat de heroverweging in bezwaar niet in strijd was met het verbod van reformatio in peius, omdat de verslechtering pas per 1 januari 2026 ingaat. Ook werd geoordeeld dat het maatmaninkomen correct was geïndexeerd en dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde voor zijn volledige arbeidsongeschiktheid. De geselecteerde functies door de arbeidsdeskundige waren passend.

De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep van appellant af. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 52,33% per 12 september 2022 wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2117 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 augustus 2024, 24/596 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 12 september 2022 heeft vastgesteld op 52,33%. Volgens appellant heeft het Uwv gehandeld in strijd met het verbod van reformatio in peius, nu de heroverweging in bezwaar tot een verslechtering van de positie van appellant heeft geleid. Ook meent appellant dat het maatmaninkomen onjuist is geïndexeerd. Verder stelt appellant volledig arbeidsongeschikt te zijn en kan hij niet de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en een aanvullend stuk ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beelaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.R. van Piggelen-Staarthof.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als laboratoriummedewerker voor gemiddeld 40 uur per week. Op 31 juli 2012 heeft hij zich ziekgemeld met gezondheidsklachten vanwege een ongeval op zijn werk. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts van het Uwv. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellant per 28 juli 2014 volledig arbeidsongeschikt is en dat op langere termijn een evidente verbetering van de functionele mogelijkheden is te verwachten. Het Uwv heeft aan appellant per 29 juli 2014 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. In 2016 en 2020 is appellant op zijn verzoek opnieuw beoordeeld, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd op 80 tot 100% is vastgesteld.
1.2.
Op 12 september 2022 heeft de ex-werkgever verzocht om een herbeoordeling van appellant. Naar aanleiding van dit verzoek is appellant opnieuw onderzocht door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 februari 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens onvoldoende functies kunnen duiden voor appellant en heeft appellant ongewijzigd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht. Het Uwv heeft bij besluit van 20 maart 2023 de WIA-uitkering van appellant ongewijzigd voortgezet.
1.3.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, omdat hij meent dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en daarom in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft het Uwv een psychiatrische expertise laten verrichten door Sazyes. Appellant is onderzocht door psychiater drs. S. Berk die op 22 augustus 2023 een rapport heeft uitgebracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft, mede naar aanleiding van dit expertiserapport, op 24 oktober 2023 een nieuwe FML opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aan de hand van deze FML voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 52,33%. Bij besluit van 27 december 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 20 maart 2023 herroepen en vastgesteld dat appellant per 12 september 2022 53,33% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft een restverdiencapaciteit vastgesteld en meegedeeld dat appellant pas over 24 maanden aan de inkomenseis moet voldoen. De hoogte van de WGAloonaanvullingsuitkering wijzigt daarmee niet tot 1 januari 2026.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv op juiste gronden de datum in geding vastgesteld op 12 september 2022. De ex-werkgever van appellant heeft geen specifieke ingangsdatum genoemd in het herbeoordelingsverzoek, waardoor de hoofdregel geldt dat de datum in geding de datum is per wanneer het verzoek om herbeoordeling is gedaan en een eventuele IVA-uitkering zou kunnen ingaan. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een eerdere of andere datum waarop de medische situatie van appellant moet worden beoordeeld.
2.2.
De beroepsgrond van appellant, dat de heroverweging in bezwaar ten onrechte niet op de grondslag van het bezwaar is verricht, slaagt niet. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de memorie van toelichting bij artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht volgt dat de heroverweging in bezwaar plaatsvindt aan de hand van een minder strikt grondenstelsel dan het grondenstelsel dat geldt voor de bestuursrechter. De heroverweging in bezwaar is alleen in die zin beperkt dat onderdelen van het bestreden besluit die geheel los van het aangevoerde bezwaar staan, in beginsel buiten beschouwing blijven en dat er een verbod van reformatio in peius geldt. Een besluit op grond van de Wet WIA zoals dat hier aan de orde is, kent één ondeelbaar rechtsgevolg. Het gaat om toekenning van een uitkering met inachtneming van een bepaald arbeidsongeschiktheidspercentage, dan wel om weigering van een uitkering. Zo’n besluit is dus niet op te delen in van elkaar te onderscheiden besluitonderdelen. [1]
2.3.
Ook het verbod van refomatio in peius maakt volgens de rechtbank niet dat de heroverweging in dit geval beperkt had moeten worden tot een oordeel over het duurzame karakter van de arbeidsongeschiktheid. Volgens vaste rechtspraak mag een in de bezwaarfase vastgestelde verslechtering van de rechtspositie per toekomende datum worden geëffectueerd, indien het Uwv ook los van het ingediende bezwaar bevoegd is de uitkering van de verzekerde per een toekomende datum in te trekken of te verlagen op de grond dat hij of zij niet (langer) of minder arbeidsongeschikt is. [2] In dit geval is met het bestreden besluit een wijziging van appellant zijn rechtspositie ontstaan, omdat voor hem een inkomenseis zal gelden terwijl dat niet het geval zou zijn geweest als hij geen bezwaar zou hebben gemaakt. Deze verslechtering gaat echter pas in met ingang van 1 januari 2026. De inkomenseis heeft dus pas gevolgen per toekomende datum. Het op deze wijze laten ingaan van een verslechtering is daarom niet in strijd met het genoemde verbod.
2.4.
De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat zijn maatmaninkomen onjuist is geïndexeerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het maatmaninkomen naar de datum in geding, 12 september 2022, geïndexeerd. Artikel 8, tweede lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten is in dit geval niet van toepassing, omdat geen sprake is geweest van een hernieuwde vaststelling van de uitkering en daarmee ook geen sprake is van een nieuw arbeidskundig onderzoek. Weliswaar is naar aanleiding van de gewijzigde FML een nieuwe functieduiding opgesteld, maar steeds is uitgegaan van de beoordeling van het arbeidsongeschiktheidspercentage op de datum in geding.
2.5.
De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant met betrekking tot de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid slechts arbeidskundige gronden heeft ingediend en desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat de inhoudelijke medische beoordeling niet ter discussie staat. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te oordelen dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden. In het rapport van 4 maart 2024 is, voor zover van belang, toegelicht dat de huishoudelijk medewerker drie van de vier te werken uren in staande houding werkt (afgewisseld met lopen). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft hierover overlegd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep die heeft aangegeven dat de belastbaarheid voor staan in eerste instantie wordt aangegeven als ware appellant hele dagen belastbaar is. In die situatie moet de belasting worden verspreid over de (volledige) dag, maar met de aanvullende urenbeperking waarbij na een werkdag van vier uur recuperatie mogelijk is, blijft de totaalbelasting (ook met minder afwisseling) binnen de mogelijkheden. Verder blijft de belasting in de functie Huishoudelijk medewerker binnen de aangegeven mogelijkheden op het punt van het handelingstempo, omdat er sprake is van eenvoudige, routinematige productiewerkzaamheden. Het CBBS heeft voor de functie Huishoudelijk medewerker geen signaleringen gegeven op de beperkingen van appellant in de FML voor deadlines en productiepieken (item 1.8.4) en gevaarlijke machines (item 1.8.6). Dat betekent dat er geen sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid op deze punten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant stelt zich op het standpunt dat het Uwv heeft gehandeld in strijd met het verbod van reformatio in peius. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit het arbeidsongeschiktheidspercentage namelijk gewijzigd naar een lager arbeidsongeschiktheidspercentage per een datum gelegen voor het bestreden besluit. Volgens appellant mag het bezwaarschrift niet leiden tot een verslechtering van zijn positie. Appellant heeft in bezwaar slechts aangevoerd dat hij het niet eens is met de verplichte re-integratie. Daarnaast meent appellant dat het maatmaninkomen onjuist is geïndexeerd. Tot slot meent appellant dat hij volledig arbeidsongeschikt is en dat hij de geselecteerde functies niet kan vervullen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een aanvullend rapport opgesteld.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage van deze uitspraak.
5.2.
Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv niet heeft gehandeld in strijd met het verbod van reformatio in peius, wordt onderschreven. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen volgt uit vaste rechtspraak dat de heroverweging in bezwaar slechts is beperkt in die zin dat onderdelen van het bestreden besluit die geheel los van het aangevoerde bezwaar staan, in beginsel buiten beschouwing blijven en dat het verbod van reformatio in peius geldt. In dit geval gaat het om een besluit op grond van de Wet WIA dat één ondeelbaar rechtsgevolg kent. Daarnaast mag een in de bezwaarfase vastgestelde verslechtering van de rechtspositie per toekomende datum worden geëffectueerd, indien het Uwv ook los van het ingediende bezwaar bevoegd is de uitkering van appellant per toekomende datum in te trekken of te verlagen op de grond dat hij niet (langer) of minder arbeidsongeschikt is. Daarvan is in dit geval sprake, nu het Uwv bij het bestreden besluit heeft beslist dat de WIA-uitkering van appellant pas vanaf 1 januari 2026 wordt verlaagd. Het aan het verbod van reformatio in peius ten grondslag liggende rechtszekerheidsbeginsel is hiermee niet geschonden.
5.3.
Verder heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het maatmaninkomen op een onjuiste wijze is geïndexeerd. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant nader toegelicht en bevestigd dat de indexering van het maatmaninkomen per datum in geding louter een theoretische discussie omvat en geen feitelijke betekenis heeft, omdat een herindexering van het maatmaninkomen per 14 maart 2023 of 8 november 2023 (data van arbeidskundig onderzoek) niet zal leiden tot een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij komt dat het Uwv bij besluit van 28 januari 2026 de restverdiencapaciteit van appellant opnieuw heeft vastgesteld en aan appellant doorlopend tot en met 31 januari 2028 een loonaanvullingsuitkering, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, heeft toegekend. Deze beroepsgrond behoeft daarom geen verdere bespreking.
5.4.
Appellant heeft zijn standpunt dat hij volledig arbeidsongeschikt is niet met nadere medische gegevens onderbouwd, waardoor deze beroepsgrond niet slaagt. Voor zover appellant meent dat hij de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies niet kan uitoefenen, wordt hij hierin niet gevolgd. Ter zitting heeft appellant de beroepsgrond over de functie medewerker bloemzaadproductie (SBC-code 111010) ingetrokken, waardoor deze grond niet verder zal worden besproken. Voor wat betreft de overige arbeidskundige gronden die appellant heeft aangevoerd, zijn deze gronden in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en terecht geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid per 12 september 2022 is vastgesteld op 52,33% en waarbij is bepaald dat de hoogte van de WIA-uitkering niet wijzigt tot 1 januari 2026, in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en M.E. Fortuin en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) C.E.A. Tessemaker

Bijlage

Artikel 7:11 van Pro de Awb
1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.
Artikel 4 van Pro de Wet WIA
1. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
2. In het eerste lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie.
3. Onder duurzaam wordt mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
Artikel 5 van Pro de Wet WIA
Gedeeltelijk arbeidsgeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Artikel 8, tweede lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
Nadat een eerste beoordeling in verband met de vaststelling, bedoeld in artikel 5, heeft plaatsgevonden, wordt bij een hernieuwde vaststelling, een heropening, een herleving of een herziening van de uitkering geen rekening gehouden met na die eerste beoordeling opgetreden wijzigingen in het maatmaninkomen, met dien verstande dat bij de hernieuwde vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid het maatmaninkomen wordt aangepast aan de eerst-gepubliceerde cijfers van de index van de CAO-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen, zoals dit uiterlijk ten tijde van het arbeidsdeskundig onderzoek door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gepubliceerd.

Voetnoten

1.CRvB 21 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2783.
2.CRvB 21 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2783.