Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:448

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
24/2666 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 8:72 AwbArt. 3:2 AwbArt. 4 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning Wajong-uitkering wegens duurzaam ontbreken arbeidsvermogen

Appellant, geboren in 2005, vroeg een Wajong-uitkering aan omdat hij duurzaam geen arbeidsvermogen zou hebben vanwege ADHD, PDD-NOS en een laag IQ. Het UWV weigerde de uitkering omdat het ontbrak aan voldoende bewijs dat het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam was, mede vanwege mogelijke hersenontwikkeling tot 28 jaar.

De rechtbank bevestigde dit standpunt en verklaarde het beroep ongegrond. Appellant stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam zou zijn. Hij verwees naar medische rapporten en vroeg om een onafhankelijke deskundige.

De Raad oordeelt dat het UWV niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. De motivering van het UWV was te algemeen en onvoldoende toegespitst op appellant. De Raad vernietigt het besluit en kent appellant met ingang van zijn achttiende verjaardag de Wajong-uitkering toe.

Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 april 2026.

Uitkomst: Appellant krijgt met ingang van zijn achttiende verjaardag recht op een Wajong-uitkering wegens duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2666 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 oktober 2024, 24/4194 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 15 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellant beschikte hij op [geboortedatum] 2023 (de dag dat hij achttien jaar is geworden) (duurzaam) niet over arbeidsvermogen en had hij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt en voorziet zelf in de zaak door appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Maachi, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft vragen gesteld aan het Uwv. Appellant en het Uwv hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 maart 2026. Voor appellant is verschenen zijn stiefvader [naam stiefvader] en de bewindvoerder van appellant, [naam bewindvoerder] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 2005, heeft met een door het Uwv op 21 maart 2023 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat appellant te maken heeft met ADHD, PDD-NOS en een laag IQ. Uit een meegestuurd besluit van het Centrum indicatiestelling zorg van 27 november 2018 blijkt dat appellant vanwege ernstige gedragsproblemen en beperkingen op sociaal gebied, een Wlzindicatie is toegekend voor ‘besloten wonen met 24-uursbegeleiding’ voor onbepaalde tijd. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellant weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 13 juli 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellant een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 7 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek voldoende zorgvuldig is. Appellant beschikt op het moment van beoordelen niet over basale werknemersvaardigheden en hij is niet in staat om tenminste een uur aaneengesloten te werken. Appellant heeft hierdoor geen arbeidsvermogen, maar het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij gebruik gemaakt van het stappenplan en van belang geacht dat de hersenen van een jongvolwassene zich ontwikkelen tot ongeveer het 28e levensjaar. Op basis van de beschikbare medische informatie hebben de verzekeringsartsen vastgesteld dat appellant groei doormaakt, nieuwe vaardigheden leert en zich zo ontwikkelt. Bevestiging voor deze ontwikkeling wordt ook gezien in de door appellant overgelegde brief van de zorgcoördinator. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen. De rechtbank volgt het standpunt van de arbeidsdeskundige dat niet uitgesloten is dat bij appellant basale werknemersvaardigheden zich kunnen ontwikkelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht geen Wajong-uitkering toegekend.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is. Van appellant mag niet worden verwacht alle medische informatie aan te leveren. Het Uwv heeft hier ook een taak in, waarbij appellant wijst op een actieve begeleidingsplicht van het Uwv. Volgens appellant is de medische situatie over de periode van tien jaar vóór het achttiende jaar een grote indicatie voor het vaststellen van de duurzaamheid. Het afwachten van een verslechtering binnen vijf jaar of het afwachten tot het bereiken van het 28e levensjaar is niet redelijk. Appellant meent dat in dit geval geen sprake is van een geschikt, noodzakelijk en evenwichtig besluit. Volgens appellant is het in zijn geval passend om artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong analoog toe te passen. Het is duidelijk en voldoende bewezen dat het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is. De stelling van het Uwv dat de hersenen van een jongvolwassene zich nog ontwikkelen tot het 28e levensjaar is te algemeen. Deze ontwikkeling gaat niet op voor appellant. De brief van de zorgcoördinator is volgens appellant onjuist geïnterpreteerd door de rechtbank. Ter onderbouwing van het hoger beroep heeft appellant verwezen naar een brief van de gedragsdeskundige S. van Wandelen van 20 januari 2025 en een brief van gedragsdeskundige A. Vos van 20 februari 2026. Appellant heeft de Raad verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Om recht te hebben op een Wajong-uitkering moet een betrokkene als jonggehandicapte kunnen worden aangemerkt. Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong is jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
5.2.
Niet in geschil is dat appellant op [geboortedatum] 2023 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft omdat hij voldoet aan de voorwaarde dat hij niet over basale werknemersvaardigheden beschikt en niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.
5.3.
De beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen betreft een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. [1] Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. [2] Als het Uwv stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het Uwv niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het Uwv moet in zo’n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden. Anders dan bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) [3] kan in een situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat, voor de toepassing van de Wajong (vooralsnog) geen duurzaamheid worden aangenomen. In een situatie waarin het arbeidsvermogen tijdelijk ontbreekt wordt voor de toepassing van de Wajong de duurzaamheid na een periode van tien jaar alsnog verondersteld aanwezig te zijn. [4]
5.4.
Het Uwv hanteert bij de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een beoordelingskader, dat is opgenomen in Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’. Volgens het beoordelingskader spreekt de verzekeringsarts zich uit over de ontwikkeling van de mogelijkheden van betrokkene, uitgaande van de medische situatie zoals die is op het moment waarop de beoordeling betrekking heeft. In het beoordelingskader is een stappenplan (zie bijlage) opgenomen voor het onderzoek van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige naar de vraag of bij een betrokkene al dan niet sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Voor zover de verzekeringsarts, overeenkomstig het stappenplan, niet zelfstandig over het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen kan besluiten, spreken verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zich gezamenlijk uit over de te verwachten ontwikkeling van betrokkene en of die al dan niet tot arbeidsvermogen kan leiden.
5.5.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is. Zoals neergelegd in vaste rechtspraak [5] is het uitgangspunt dat de verzekeringsarts in beginsel kan varen op zijn eigen oordeel en moet in bepaalde situaties informatie worden opgevraagd bij de behandelend artsen. Dergelijke situaties doen zich hier niet voor en appellant heeft zelf in bezwaar en in (hoger) beroep medische stukken ingediend. Anders dan appellant meent, biedt artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen grondslag voor het standpunt dat voor het Uwv de verplichting bestond om appellant op dit punt actief te begeleiden. Voor zover het bij appellant niet duidelijk was welke informatie mogelijk relevant is, had hij hierover in overleg kunnen treden met het Uwv.
5.6.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn standpunt dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is met name gebaseerd op de mogelijke rijping en/of ontwikkeling van het brein. Volgens deze verzekeringsarts bezwaar en beroep kan bij verdere emotionele en sociale ontwikkeling, zeker in de komende tien jaar, verwacht worden – en zeker niet uitgesloten worden – dat appellant over basale werknemersvaardigheden beschikt.
5.7.
De Raad acht deze motivering te algemeen. Zoals volgt uit vaste rechtspraak kan het Uwv niet volstaan met een algemene motivering over rijping van het brein en zal zijn motivering ook voldoende toegespitst moeten zijn op de concrete situatie van een betrokkene. [6] Een dergelijke, afdoende op appellant toegesneden, motivering ontbreekt in dit geval. In zijn rapport van 27 april 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep enkel verwezen naar informatie van een GZ-psycholoog J. Looij uit 2022, waarin melding wordt gemaakt van een groei op het emotionele vlak bij gelijkblijvende cognitieve capaciteiten. Echter, deze brief ziet op de ontwikkeling van appellant tot aan zijn zestiende jaar en bevat onvoldoende concrete aanwijzingen voor het ontwikkelen van participatiemogelijkheden na het achttiende jaar. Overigens bevat de beschikbare medische informatie geen aanwijzingen dat ontwikkeling van participatiemogelijkheden bij appellant nog mogelijk is.
5.8.
Voor zover de rechtbank bevestiging voor het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet in de door appellant overgelegde brief van zorgcoördinator E. Visser van 21 augustus 2024, wordt zij daarin niet gevolgd. Deze brief is namelijk niet opgesteld door een arts en de daarin neergelegde bewoordingen over groei en ontwikkeling zijn te algemeen om (mede) op basis daarvan te concluderen dat appellant bepaalde sociale vaardigheden kan ontwikkelen.
5.9.
Ook ten aanzien van de verstandelijke beperking bij appellant schiet de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep tekort. Door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt melding gemaakt van een lichte tot matige verstandelijke beperking, naast ADHD en autisme. Gelet op het Compendium Participatiewet geldt voor een matige verstandelijke beperking dat de groei van mogelijkheden ook na het achttiende jaar beperkt is. [7] Hoewel de Raad hierover vragen heeft gesteld, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze vragen – ook na een herhaald verzoek daartoe – niet beantwoord. Dit geldt ook voor de vragen over de mogelijke voorwaarden waaronder de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gestelde ontwikkeling kan plaatsvinden, zoals begeleiding en/of behandeling dan wel dagbesteding. Ook gelet op dit gemis acht de Raad de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet overtuigend en ontoereikend.
5.10.
Nu het Uwv er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat niet is uitgesloten dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan, moet ervan worden uitgegaan dat het ontbreken van arbeidsvermogen in het geval van appellant op [geboortedatum] 2023 duurzaam is. Daarmee voldoet appellant aan de voorwaarden van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong, zodat hij als jonggehandicapte moet worden aangemerkt.

Conclusie en gevolgen

5.11.
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd. Onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zal de Raad zelf in de zaak voorzien en het besluit van 13 juli 2023 herroepen en bepalen dat appellant met ingang van [geboortedatum] 2023 recht heeft op een Wajong-uitkering.
6. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten voor verleende rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 666,- in bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 666,-), op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en op € 934,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,-). In totaal is dit een bedrag van € 3.468,-. Daarnaast dient het Uwv het door appellant betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 7 mei 2024;
- herroept het besluit van 13 juli 2023 en bepaalt dat appellant met ingang van [geboortedatum] 2023 recht heeft op een Wajong-uitkering;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 7 mei 2024;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.468,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 189,-vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) A.A. Verweij

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong
Jonggehandicapte is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong
Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben wordt in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.
Beoordelingskader uit Bijlage 1 van het ‘Compendium Participatiewet’
“Stap 1 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of er sprake is van een progressief ziektebeeld.
Als het antwoord bevestigend is, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 2 - voor de verzekeringsarts
De verzekeringsarts stelt vast of de situatie van cliënt aan beide volgende voorwaarden voldoet:
* er is sprake van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden;
* de aandoening is zodanig ernstig dat geen enkele toename van bekwaamheden mag worden verwacht.
Als aan deze beide voorwaarden wordt voldaan, ontbreekt het arbeidsvermogen duurzaam. De beoordeling is afgerond.
Stap 3 - voor de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige samen
De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige stellen in gezamenlijk overleg vast of het ontbreken van arbeidsvermogen van de cliënt duurzaam is. Zij betrekken daarbij ten minste de volgende aspecten in onderlinge samenhang:
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden ter verbetering van de belastbaarheid;
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot verdere ontwikkeling;
* het al dan niet ontbreken van mogelijkheden tot toename van bekwaamheden.
Op grond van hun gezamenlijk overleg concluderen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige of het arbeidsvermogen al dan niet duurzaam ontbreekt. De beoordeling is afgerond.

Voetnoten

1.Artikel 1a:1, vierde lid, van de Wajong.
2.Kamerstukken II 2011/12, 33 161, nr. 3 onder 5.1.
3.Artikel 4, derde lid, van de Wet WIA.
4.Artikel 1a:1, derde lid, van de Wajong.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2438.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 23 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2404, 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:301 en van 13 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2110.
7.Pagina 72.