ECLI:NL:CRVB:2026:500
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WIA-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden en boete
Appellant ontving sinds 2009 een WIA-uitkering vanwege volledige arbeidsongeschiktheid. In 2022 ontdekte het UWV dat appellant werkzaamheden verrichtte bij het bedrijf van zijn neef, zonder dit te melden. Het UWV herzag daarop de uitkering over de periode van 1 maart 2015 tot 30 september 2022 en vorderde €19.445,57 terug. Tevens legde het UWV een boete van €1.040,- op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat de werkzaamheden een op geld waardeerbare loonwaarde vertegenwoordigen en dat appellant zijn meldingsplicht had geschonden. Appellant voerde aan dat zijn psychische klachten onvoldoende waren meegewogen en dat hij de werkzaamheden slechts verrichtte op advies van zijn huisarts en psycholoog.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. Het UWV heeft aannemelijk gemaakt dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte, die niet zijn gemeld. De Raad acht de schatting van het inkomen op tien uur per week tegen het minimumloon zorgvuldig. De boete is evenredig en de medische klachten van appellant vormen geen dringende reden om af te zien van herziening of terugvordering.
Het hoger beroep wordt verworpen, het bestreden besluit blijft in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het bestreden besluit tot herziening, terugvordering en boete blijft in stand.