ECLI:NL:CRVB:2026:509
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging definitieve vaststelling loonkostensubsidie NOW-3 derde tranche voor uitzendonderneming
Appellante, een uitzendonderneming, had bezwaar gemaakt tegen de definitieve vaststelling van haar NOW-3 subsidie, waarbij zij stelde dat de daling van de loonsom in de subsidieperiode buiten beschouwing moest blijven en dat de verloningssystematiek onredelijk bezwarend was. De rechtbank Overijssel had het bezwaar gegrond verklaard en de subsidie vastgesteld op €34.873,-.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar positie als uitzendonderneming uniek was en dat de toepassing van artikel 16, vijfde lid, NOW-3 onredelijk nadelig uitpakte. Tevens stelde zij dat extraterritoriale kosten niet correct waren meegenomen en deed een beroep op het vertrouwensbeginsel.
De Raad oordeelde dat de positie van appellante niet wezenlijk verschilde van andere werkgevers en dat de berekeningswijze van artikel 16, vijfde lid, NOW-3 geen onvoorzien effect had. De forfaitaire opslag van 40% werd als passend beschouwd, ook voor uitzendbureaus. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en de ET-regeling faalden. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en handhaafde de subsidie op €34.873,- met een nabetaling van €14.266,-.
De Raad wees het hoger beroep af en bepaalde dat appellante geen proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 29 april 2026.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de subsidie van €34.873,- en wijst het hoger beroep af.