Appellant had een schoenenzaak die in oktober 2021 werd gesloten vanwege onveilige omstandigheden, waarna hij geen inkomsten meer had. Vanaf november 2021 probeerde zijn dochter namens hem bijstand aan te vragen, maar werd hij door het dagelijks bestuur van Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers van het kastje naar de muur gestuurd en doorverwezen naar het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz 2004).
Pas op 25 januari 2022 meldde appellant zich formeel voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW). Het dagelijks bestuur kende bijstand toe met ingang van 2 maart 2022, maar appellant stelde dat bijzondere omstandigheden een eerdere ingangsdatum rechtvaardigden. De rechtbank wees dit af, maar de Raad oordeelde anders.
De Raad stelde vast dat appellant en zijn dochter vanaf december 2021 duidelijk hadden gemaakt dat de onderneming was gestopt en dat hij bijstand wilde. Door het handelen van het dagelijks bestuur werd appellant echter afgehouden van het doen van een PW-aanvraag. De Raad achtte aannemelijk dat op 15 december 2021 al een concrete actie was ondernomen die tot een aanvraag had moeten leiden. Daarom werd bijstand toegekend met ingang van die datum.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat appellant bijstand naar de norm voor gehuwden ontvangt over de periode van 15 december 2021 tot 2 maart 2022. Tevens werden proceskosten en griffierechten aan appellant toegekend.