Betrokkene, militair bij de Koninklijke Marechaussee, verzocht om een vergoeding met terugwerkende kracht voor werkzaamheden die zij verrichtte in een hogere functie. De staatssecretaris wees dit verzoek aanvankelijk af, maar verklaarde het bezwaar gegrond vanaf de datum van het verzoek, zonder terugwerkende kracht toe te kennen. De rechtbank stelde de ingangsdatum van de compensatie op 1 januari 2019, maar betrokkene ging hiertegen in hoger beroep.
De staatssecretaris voerde in hoger beroep aan dat er geen sprake was van informele waarneming en dat het verzoek neerkwam op terugkomen van een in rechte vaststaand besluit, maar de Raad oordeelde dat de staatssecretaris deze grondslag eerder bewust had prijsgegeven, waardoor het beroep niet ontvankelijk was. De Raad volgde betrokkene in haar stelling dat de ingangsdatum eerder moest liggen, en stelde deze vast op 27 augustus 2016, mede op basis van verklaringen van collega’s en de erkenning van de staatssecretaris dat de functies in de praktijk overeenkwamen.
Daarnaast kende de Raad betrokkene een schadevergoeding toe van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. De Raad veroordeelde de Staat en de staatssecretaris tot betaling van proceskosten en griffierechten. De uitspraak bevestigt de eerdere tussenuitspraak en vernietigt het eerdere besluit voor zover de ingangsdatum van de compensatie op 1 januari 2019 was vastgesteld.