Betrokkene, militair bij de Koninklijke Marechaussee, verzocht om een financiële compensatie met terugwerkende kracht omdat hij vanaf 1 augustus 2018 dezelfde werkzaamheden verrichtte als een hogere functie. De staatssecretaris wees dit verzoek aanvankelijk af, maar verklaarde het bezwaar gegrond zonder terugwerkende kracht toe te kennen. De rechtbank oordeelde dat sprake was van informele waarneming vanaf 1 januari 2019 en stelde de compensatie ingangsdatum daarop vast.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat er geen sprake was van informele waarneming en dat het verzoek een terugkomen op een in rechte vaststaand besluit betrof. De Raad oordeelde dat de staatssecretaris deze grondslag in bezwaar bewust had prijsgegeven en dat het opnieuw aanvoeren daarvan in hoger beroep in strijd is met de goede procesorde. Daarom werd het hoger beroep afgewezen.
Daarnaast werd een schadevergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, die meer dan vier jaar duurde. De Raad veroordeelde de Staat tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten van betrokkene, en legde een griffierecht op aan de staatssecretaris.