ECLI:NL:CRVB:2026:55

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
22/2396 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van de einddatum van de WGA-uitkering en de ingangsdatum van een IVA-uitkering met geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel

In deze zaak gaat het om de vaststelling van de einddatum van de WGA-uitkering en de ingangsdatum van een IVA-uitkering voor een ex-werknemer van appellante. Het Uwv stelt dat de IVA-uitkering niet eerder kan ingaan dan per 1 mei 2018, terwijl appellante meent dat het recht op de WGA-uitkering eindigt op het moment dat de ex-werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De Raad oordeelt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt, omdat in vergelijkbare gevallen door het Uwv een IVA-uitkering met terugwerkende kracht is toegekend. De Raad kent de ex-werknemer een IVA-uitkering toe met ingang van 18 december 2014. De Raad heeft ook geoordeeld dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 1.500,-. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van appellante wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

22/2396 WIA
Datum uitspraak: 13 januari 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 juni 2022, 21/306 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om de vaststelling van de einddatum van de WGA-uitkering en de ingangsdatum van een IVA-uitkering aan een ex-werknemer van appellante. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de IVA-uitkering niet eerder kan ingaan dan per 1 mei 2018 en dat de WGA-uitkering tot die datum doorloopt. Appellante stelt zich op het standpunt dat het recht op de WGA-uitkering van rechtswege eindigt op het moment dat ex-werknemer volledig en duurzaam en dus niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Dat betekent volgens haar in dit geval dat de WGA-uitkering te lang is verstrekt, waarmee het Uwv onrechtmatig heeft gehandeld. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet.
Verder heeft appellante aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Appellante heeft ter onderbouwing van dit beroep gewezen op verschillende besluiten van het Uwv in vergelijkbare zaken, waarin het Uwv met terugwerkende kracht van meer dan 52 weken een IVA-uitkering heeft toegekend. De Raad oordeelt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt en dat daarom ook in deze zaak de 52-weken termijn buiten toepassing moet blijven. De Raad voorziet zelf in de zaak en kent ex-werknemer een IVA-uitkering toe met ingang van 18 december 2014.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.A. van der Steen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere gronden en stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2023. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak 21/4485 WIA. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Steen en mr. J.P.M. van Zijl, beiden advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen en mr. J.W. van Schaik.
De Raad heeft het onderzoek heropend en het Uwv nadere vragen gesteld. Het Uwv heeft hierop gereageerd waarna van appellante een reactie is ontvangen.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband hiermee heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft de zaak op 25 maart 2025 opnieuw behandeld ter zitting, gelijktijdig met de zaak 21/4485 WIA. Voor appellante zijn verschenen mr. Van der Steen en mr. Van Zijl. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Coenen en mr. Van Schaik. In de zaak 21/4485 WIA is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
[naam ex-werknemer] , ex-werknemer van appellante, heeft zich op 18 december 2011 ziekgemeld voor zijn werk als orderpicker voor 40 uur per week. Het dienstverband is op 31 januari 2012 beëindigd, waarna het Uwv ex-werknemer een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) heeft toegekend. Bij besluit van 16 oktober 2013 heeft het Uwv exwerknemer met ingang van 15 december 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Bij besluit van 22 juli 2014 is deze uitkering per 15 oktober 2014 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd is gebleven. Tegen deze besluiten is geen bezwaar gemaakt.
1.2.
Naar aanleiding van een ambtshalve herbeoordeling heeft een verzekeringsarts van het Uwv ex-werknemer op 2 mei 2016 op het spreekuur onderzocht. Deze arts heeft geconcludeerd dat ex-werknemer geen benutbare mogelijkheden heeft als gevolg van zijn ziekte, ernstige morbus Chrohn. De arts heeft in zijn rapport verder opgemerkt dat een heronderzoek is te overwegen op een termijn van twee jaar na datum onderzoek. Het Uwv heeft daarop bij besluit van 1 juni 2016 de WGA-loonaanvullingsuitkering ongewijzigd voortgezet. Ook tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.
1.3.
Appellante heeft op 1 juli 2019 verzocht om een herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van ex-werknemer. Daarbij heeft appellante gesteld dat ex-werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, zodat hij recht heeft op een IVA-uitkering. Naar aanleiding daarvan heeft een verzekeringsarts van het Uwv ex-werknemer op 24 juni 2020 telefonisch gesproken en geconcludeerd dat ex-werknemer nog steeds geen benutbare mogelijkheden heeft en dat de beperkingen duurzaam zijn. Bij besluit van 9 juli 2020 heeft het Uwv ex-werknemer per 24 juni 2020 een IVA-uitkering toegekend.
1.4.
Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Een arts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 7 december 2020 geconcludeerd dat de ingangsdatum van de IVA-uitkering per 24 juni 2020 niet juist is, omdat al eerder sprake was van duurzame, volledige arbeidsongeschiktheid. Volgens de arts bezwaar en beroep is het niet mogelijk een duidelijk punt aan te wijzen waarop de beperkingen blijvend zouden zijn. Wel heeft de arts bezwaar en beroep opgemerkt dat zuiver medisch na 2011 weinig is veranderd en dat vervolgens na drie jaar behandelen voldoende duidelijk was dat hier weinig verandering meer zou kunnen worden verwacht.
1.5.
Omtrent de vaststelling van de ingangsdatum van de IVA-uitkering heeft de arts bezwaar en beroep het volgende overwogen. Omdat geen bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 1 juni 2016 en omdat het Uwv per 1 mei 2018 een heronderzoek had moeten doen en dat onderzoek, waarbij tot IVA had kunnen worden geconcludeerd, niet heeft plaatsgevonden, heeft de arts bezwaar en beroep het plausibel geacht om 1 mei 2018 als ingangsdatum voor de IVA-uitkering te nemen.
1.6.
Bij besluit van 16 december 2020 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 9 juli 2020 gegrond verklaard en de ingangsdatum van de IVA-uitkering gewijzigd in 1 mei 2018.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht de IVA-uitkering van ex-werknemer niet vanaf een eerdere datum dan 1 mei 2018 heeft toegekend.
2.2.
Tegen het besluit van 1 juni 2016, waarin aan ex-werknemer is meegedeeld dat zijn uitkering niet wijzigt, zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Met dit besluit staat in rechte vast dat op 2 mei 2016 van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid van ex-werknemer nog geen sprake was. Gelet hierop zal een IVA-uitkering in elk geval niet eerder kunnen ingaan dan op 2 mei 2016. Verder heeft de rechtbank van belang geacht dat in artikel 64, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat het Uwv op aanvraag vaststelt of een recht op uitkering op grond van artikel 47 of artikel 54 van die wet ontstaat. Op grond van het elfde lid kan het recht op uitkering, behoudens de aanwezigheid van een bijzonder geval niet worden vastgesteld over perioden gelegen vóór 52 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag werd ingediend. Op grond van het twaalfde lid is het elfde lid van overeenkomstige toepassing indien het WIA-recht later ontstaat dan wel herleeft of indien de WIA-uitkering wordt verhoogd. De omstandigheid dat het Uwv van april tot juni 2014 een herbeoordeling achterwege heeft gelaten, ondanks dat de verzekeringsarts in zijn rapport van 7 oktober 2013 heeft opgemerkt dat een medisch heronderzoek na zes à acht maanden aangewezen was, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als bijzonder geval bedoeld in artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA. Voor het Uwv bestaat geen wettelijke verplichting tot herbeoordeling. Appellante heeft ook geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 juli 2014. Daar komt bij dat appellante op elk moment een herbeoordeling had kunnen aanvragen.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel afgewezen. Op grond van de door appellante aangevoerde gegevens kon niet worden beoordeeld of het om gelijke gevallen gaat, omdat de specifieke feiten en omstandigheden dan wel de motivering van het Uwv in die zaken niet bekend zijn.
Standpunt van appellante
3.1.
Appellante stelt zich op het standpunt dat ex-werknemer al vóór 1 mei 2018 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en dat daarom het recht op een WGA-uitkering vanaf die dag eindigt. Primair stelt appellante dat dit, overeenkomstig de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 7 december 2020, per 18 december 2014 moet zijn en subsidiair per 2 mei 2016. Volgens appellante eindigt de WGA-uitkering op grond van artikel 56, eerste lid, onder a van de Wet WIA op het moment dat geen sprake meer is van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid in de zin van artikel 5 van de Wet WIA, ongeacht de ingangsdatum van de IVA-uitkering. Verstrekking van een WGA-uitkering na de dag waarop de verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, is volgens appellante onrechtmatig. Appellant, die geen eigenrisicodrager is voor de WGA-uitkering, heeft als gevolg van de ten onrechte te lang betaalde WGA-uitkering ten onrechte gedifferentieerde WGA-premie betaald. Het Uwv dient daarom in deze procedure een eerdere beëindigingsdatum van de WGA-uitkering vast te stellen. Appellante wijst daarnaast op de uitspraak van de Raad van 14 december 2016. [1] Appellante heeft er in dit verband ook op gewezen dat het Uwv de schade aan een werkgever vergoedt voor het te lang doorlopen van een WGA-uitkering, indien het recht op een WGA-uitkering eindigt als de werknemer minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht, maar de duur van de loongerelateerde WGAuitkering op grond van artikel 56, tweede lid van de Wet WIA nog niet is verstreken.
3.2.
Appellante heeft het beroep op het gelijkheidsbeginsel gehandhaafd. Zij heeft gewezen op 25 naar haar mening vergelijkbare gevallen. Van die gevallen heeft zij de besluiten en in een aantal gevallen de daaraan ten grondslag liggende medische rapporten van verzekeringsartsen bezwaar en beroep van het Uwv ingebracht. Daaruit blijkt volgens appellante dat het Uwv in soortgelijke gevallen als het geval van appellante de ingangsdatum van een IVA-uitkering met een verder terugwerkende kracht dan 52 weken heeft bepaald ondanks de door het Uwv gestelde beperkende werking van artikel 64, elfde en twaalfde lid, van de Wet WIA. Appellante stelt hiermee aannemelijk te hebben gemaakt dat het Uwv gelijke gevallen ongelijk behandelt. Het Uwv heeft volgens haar het tegendeel niet onderbouwd, en ook niet dat sprake is bijzondere gevallen dan wel incidentele gevallen, waarin is afgeweken van de bepaling van artikel 64, elfde en twaalfde lid, van de Wet WIA. Verder heeft appellante nog gewezen op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 mei 2015, waarin ook met verder terugwerkende kracht dan 52 weken een IVA-uitkering is toegekend. Een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel betekent volgens appellante dat de ingangsdatum van de IVA-uitkering van ex-werknemer moet ingaan op één van de in 3.1 genoemde momenten.
Standpunt van het Uwv
3.3.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv stelt dat uit artikel 64, elfde en twaalfde lid, van de Wet WIA voortvloeit dat het recht op een IVAuitkering, behoudens bijzondere gevallen, niet eerder kan ingaan dan uiterlijk 52 weken vóór een aanvraag van de verzekerde dan wel een verzoek om een herbeoordeling door de werkgever. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt volgens het Uwv niet omdat de door appellante genoemde gevallen geen gelijke gevallen zijn. Mogelijk is in die gevallen sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA. Als dat niet het geval is, dan gaat het om incidentele gevallen waarin een onjuist besluit is genomen. Het Uwv is niet gehouden om onjuiste beslissingen in andere zaken te herhalen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de toekenning van een IVA-uitkering aan ex-werknemer per 1 mei 2018 in stand heeft gelaten. Dat doet de Raad aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep – voor zover het ziet op het beroep op het gelijkheidsbeginsel – slaagt.
4.1.
In artikel 64, eerste lid, van de Wet WIA is, voor hier zover relevant, bepaald dat het Uwv op aanvraag vaststelt of recht op een uitkering op grond van artikel 47 (een IVAuitkering) ontstaat.
4.2.
Op grond van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA kan het recht op een uitkering op grond van deze wet niet worden vastgesteld over een periode gelegen voor 52 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om een uitkering werd ingediend. Het Uwv kan daar in bijzondere gevallen van afwijken.
4.3.
Op grond van artikel 64, twaalfde lid, van de Wet WIA is het elfde lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing indien het recht op uitkering op grond van deze wet later ontstaat dan wel herleeft of indien de uitkering op grond van deze wet wordt verhoogd.
4.4.
Uit vaste rechtspraak blijkt dat de beperkende werking van artikel 64, elfde en twaalfde lid, van de Wet WIA ook geldt bij een verzoek van een werkgever om herbeoordeling tijdens een recht op WGA-uitkering. Als uit die herbeoordeling volgt dat een werknemer (inmiddels) IVA gerechtigd is, kan deze uitkering niet eerder ingaan dan 52 weken voorafgaand aan het verzoek van de werkgever, tenzij sprake is van een bijzonder geval. [2]
Is sprake van een bijzonder geval?
4.5.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat in de situatie van ex-werknemer geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA, en de overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid. Daarbij wordt benadrukt dat, zoals de Raad eerder heeft overwogen, het niet (tijdig) uitvoeren van een door de verzekeringsarts aangekondigde herbeoordeling, geen bijzonder geval is. [3] Dat betekent dat op grond van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA het recht op een IVA-uitkering van exwerknemer in beginsel niet eerder kan ontstaan dan 52 weken voor de dag waarop appellante om een herbeoordeling heeft verzocht, in dit geval 1 juli 2018, uitgaande van het verzoek van appellante van 1 juli 2019.
Einde WGA-uitkering
4.6.
Het standpunt van appellante dat een WGA-uitkering van rechtswege eindigt op het moment dat de verzekerde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dus niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt wordt geacht en dat vanaf dat moment het uitbetalen van een WGA-uitkering jegens de werkgever onrechtmatig is, wordt niet gevolgd. Het recht op de WGA-uitkering eindigt niet van rechtswege en loopt bij het later ontstaan van een IVAuitkering door tot het moment dat het Uwv het recht op een IVA-uitkering vaststelt. In de memorie van toelichting bij de Wet WIA [4] staat:
9.2
Eindiging van het recht op uitkering
Een recht op uitkering dat is ontstaan, bestaat totdat het UWV vaststelt dat zich een in de wet genoemde eindigingsgrond voordoet.
In artikel 48, eerste lid, onderdeel a, van de Wet WIA is bepaald dat recht op een IVAuitkering op een later moment dan per einde wachttijd ontstaat op de dag dat de verzekerde duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is, indien de verzekerde op de dag daaraan voorafgaand recht had op een WGA-uitkering. Uit deze laatste voorwaarde volgt dat voor het later ontstaan van de IVA-uitkering niet voldoende is dat de verzekerde duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is, maar dat dit mede afhankelijk is gesteld van het direct daaraan voorafgaande recht op een WGA-uitkering. Dit impliceert dat het einde van de WGAuitkering is gekoppeld aan de ingangsdatum van de IVA en dat het recht op een WGAuitkering aansluit op het recht op een IVA-uitkering. Uit de systematiek van de Wet WIA blijkt dus dat sprake is van een systeem waarin het recht op een WGA-uitkering doorloopt tot het moment waarop het Uwv vaststelt dat de WGA-gerechtigde in aanmerking komt voor een IVA-uitkering en het recht op een IVA-uitkering dus aansluit op het recht op een WGA-uitkering.
4.7.
De Raad overweegt verder dat de artikelen 56, eerste lid, onderdeel a van de Wet WIA en artikel 48 van de Wet WIA niet los kunnen worden gezien van artikel 64, elfde en twaalfde lid, van de Wet WIA. Hieruit blijkt dat een IVA-uitkering niet kan ontstaan dan wel later kan ontstaan of herleven over een periode gelegen vóór 52 weken voorafgaand aan de dag van een aanvraag van de verzekerde, een verzoek om herbeoordeling van een werkgever of een ambtshalve herbeoordeling. De vergelijking met een situatie waarin toepassing wordt gegeven aan artikel 117 van de Wet WIA dan wel artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA gaat niet op, omdat de Raad van oordeel is dat in dit geval het beëindigen van de WGA-uitkering en het ontstaan van een IVA-uitkering voor een verzekerde en de werkgever niet uit elkaar lopen.
4.8.
Dit betekent dat het niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn van ex-werknemer als bedoeld in artikel 56, eerste lid, onderdeel a, van de Wet WIA geen zelfstandige betekenis heeft maar moet worden bezien in het licht van het later ontstaan van de IVA-uitkering. Het recht op de WGA-uitkering van ex-werknemer eindigt dus niet van rechtswege met ingang van het moment waarop hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Voor het oordeel dat het Uwv de WGA-uitkering van ex-werknemer ten onrechte heeft verstrekt tot de dag dat recht op een IVA-uitkering is ontstaan, is daarom geen grond.
4.9.
Wat appellante heeft aangevoerd over het niet (tijdig) verrichten van een herbeoordeling treft geen doel. Zoals de Raad eerder heeft overwogen geldt voor het Uwv geen wettelijke verplichting om ambtshalve een herbeoordeling uit te voeren. [5] De Raad ziet geen aanleiding daar thans anders over te oordelen. Voor appellante bestond wel de mogelijkheid om eerder dan met het verzoek van 1 juli 2019 een herbeoordeling aan te vragen. De vraag of appellante hierbij al dan niet over medische informatie heeft kunnen beschikken speelt hierbij geen belemmerende rol. Een verzoek om herbeoordeling kan ook worden ingediend zonder onderbouwende medische informatie. [6] In voorbeelden die appellante heeft aangedragen in het kader van het beroep op het gelijkheidsbeginsel is daarvan ook gebleken.
4.10.
Het beroep van appellante op de uitspraak van de Raad van 14 december 2016 [7] , waarin de Raad heeft overwogen dat onder omstandigheden sprake kan zijn van onrechtmatig handelen en schadeplichtigheid van het Uwv ten opzichte van de ex-werkgever als te lang een uitkering op grond van de ZW is verstrekt, gaat niet op. Reeds gelet op wat hiervoor onder 4.6 tot en met 4.9 is overwogen wordt appellante niet gevolgd in haar standpunt dat in deze zaak sprake is van onrechtmatig handelen en schadeplichtigheid jegens haar. Bovendien heeft appellante tegen de besluiten van 22 juli 2014 en 1 juni 2016 geen bezwaar gemaakt en dus moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van die besluiten.
Beroep op het gelijkheidsbeginsel
4.11.
Het elfde en twaalfde lid van artikel 64 van de Wet WIA zijn dwingendrechtelijke bepalingen in een wet in formele zin en laten geen ruimte om daarvan af te wijken. Dat is slechts anders als in een concreet geval toepassing van deze wettelijke bepalingen zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen, waaronder het gelijkheidsbeginsel [8] , dat die toepassing achterwege moet blijven.
4.12.
De Raad is van oordeel dat in dit geval sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel en dat toepassing van het elfde en twaalfde lid van artikel 64 van de Wet WIA in dit geval achterwege moet blijven. De Raad zal hierna toelichten waarom het gelijkheidsbeginsel in dit geval geschonden is.
Gelijke gevallen?
4.13.
Bij een beroep op het gelijkheidsbeginsel is het aan appellante om aannemelijk te maken dat het Uwv gelijke gevallen ongelijk behandelt. Als gelijke gevallen worden in deze zaak aangemerkt beslissingen van het Uwv op een verzoek van een werkgever – al dan niet gedaan in het kader van een bezwaarprocedure – om een ex-werknemer een IVA-uitkering toe te kennen met ingang van een datum die ligt voor 52 weken vóór dat verzoek. Appellante heeft in het kader van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel in bezwaar en beroep vijf volgens haar vergelijkbare gevallen ingebracht en met stukken onderbouwd dat die gevallen door het Uwv met betrekking tot de toepassing van het elfde en twaalfde lid van artikel 64 van de Wet WIA anders zijn behandeld. In hoger beroep heeft appellante daaraan nog twintig volgens haar gelijke gevallen toegevoegd. In al deze gevallen heeft het Uwv besloten tot toekenning van een IVA-uitkering met een terugwerkende kracht van meer dan 52 weken en in een enkel geval tot het niet toerekenen van een WGA-uitkering aan de werkgever vanaf het moment dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.
4.14.
Uit de door appellante overgelegde stukken die aan deze gevallen ten grondslag liggen blijkt niet dat het Uwv die gevallen heeft aangemerkt als een bijzonder geval als bedoeld in artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA en dat het Uwv om die reden is afgeweken van de termijn van 52 weken. Uit een aantal stukken blijkt expliciet dat het Uwv het standpunt heeft ingenomen dat als duidelijk een eerdere datum was aan te wijzen waarop een verzekerde volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, die eerdere datum als ingangsdatum voor de IVAuitkering is genomen, hoewel die datum meer dan 52 vóór het verzoek van de werkgever ligt.
4.15.
Ook is uit de door appellante ingebrachte besluiten af te leiden dat het feit dat de werkgever niet was opgekomen tegen eerder toegezonden besluiten omtrent de toekenning of voortzetting van een WGA-uitkering er niet aan in de weg stond om een IVA-uitkering met meer dan 52 weken terugwerkende kracht te verlenen. Uit die besluiten valt af te leiden dat het Uwv enkel heeft beoordeeld of er een eerdere datum is aan te wijzen waarop sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid en zo ja, dat het Uwv dan met ingang van die datum een IVA-uitkering heeft toegekend.
4.16.
Desgevraagd heeft het Uwv de Raad over de door appellante genoemde gevallen laten weten dat het Uwv  bij gebrek aan Burgerservicenummers  geen uitgebreid onderzoek naar deze gevallen kan doen. Daarom kan niet worden nagegaan of sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA. Appellante heeft erop gewezen dat het Uwv in een procedure bij de rechtbank Oost-Brabant wel een dergelijk onderzoek heeft kunnen verrichten naar een aantal door appellante genoemde gevallen. Het Uwv heeft dat niet betwist en de rechtbank Oost-Brabant heeft na een tussenuitspraak [9] einduitspraak [10] gedaan. In die procedure zijn elf gevallen genoemd, die ook in deze procedure door appelante zijn ingebracht. Van twee gevallen heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake was van schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat in die gevallen de werkgever de eerdere WIAbesluiten niet had ontvangen en van één geval heeft de rechtbank geoordeeld dat ook zonder nader onderzoek sprake was van schending van het gelijkheidsbeginsel. Acht gevallen heeft het Uwv naar aanleiding van de tussenuitspraak nader onderzocht. In de einduitspraak heeft de rechtbank Oost-Brabant vastgesteld dat over deze acht besluiten geen verschil van mening is dat het Uwv aan de IVA-uitkeringen een verdergaande terugwerkende kracht heeft toegekend dan 52 weken, terwijl er in die zaken geen sprake was van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA.
4.17.
Het Uwv heeft erkend dat in de door appellante genoemde gevallen in ieder geval ten tijde van de beoordeling van het verzoek geen kenbare beoordeling heeft plaatsgevonden van de vraag of sprake was van een bijzonder geval. Gelet hierop en de hiervoor genoemde uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant en omdat ook in de overige besluiten en daaraan ten grondslag liggende rapporten die appellante in deze procedure heeft overgelegd nergens wordt gerept over een bijzonder geval, gaat de Raad ervan uit dat in de door appellante genoemde gevallen is afgeweken van de 52-weken termijn van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA, terwijl geen sprake was van een bijzonder geval.
4.18.
De Raad concludeert dat 23 door appellante naar voren gebrachte gevallen voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel en wat betreft de rechtens relevante aspecten daarvan vergelijkbaar zijn met deze zaak. Verder is in dit verband het volgende van belang.
4.19.
Alle door appellante genoemde gevallen zijn afkomstig van één advocatenkantoor, het kantoor van de gemachtigde van appellante. Het is niet waarschijnlijk dat besluiten waarin het Uwv afwijkt van de 52-weken termijn beperkt zijn tot cliënten van het kantoor van de gemachtigde van appellante. Daarnaast zijn de besluiten die appellante heeft ingebracht voorbereid door verschillende kantoren van het Uwv in het hele land gedurende een langere periode (van 2016 tot en met 2024) waarvan vijftien besluiten van 2022 en later. Ook dit vormt een aanwijzing dat in dit verband geen sprake is van consistente besluitvorming.
4.20.
Verder heeft appellante terecht gewezen op bladzijde 90 van het “Handboek Wetsuitleg WIA, WAO/WAZ/oWajong en ZW” van het Uwv (Handboek). In het hoofdstuk over het “Bepalen van de ingangsdatum overgang WGA naar IVA” staat over een herbeoordeling die niet plaatsvindt op aanvraag van verzekerde:

Bij deze herbeoordeling is de ingangsdatum van de IVA-uitkering de datum van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, tenzij het duidelijk is dat de klant op een eerdere datum al volledig arbeidsongeschikt was en zijn beperkingen al duurzaam waren.
Een verwijzing naar de 52-weken termijn ontbreekt hier. Weliswaar staat elders in het Handboek, onder het kopje “nieuw recht” een verwijzing naar de maximale termijn waarover met terugwerkende kracht een uitkering kan worden vastgesteld, maar in bovengemeld hoofdstuk “Bepalen van de ingangsdatum overgang WGA naar IVA” wordt hier niet naar verwezen. Evenmin is duidelijk hoe de beide passages zich tot elkaar verhouden. Bovendien lijkt het erop dat wat is vermeld in het Handboek onder “nieuw recht” te maken heeft met de invoering van het twaalfde lid van artikel 64 van de Wet WIA. [11] Artikel 64, elfde lid van de Wet WIA was al eerder ingevoerd. Desgevraagd heeft het Uwv de Raad laten weten dat er binnen het Uwv geen andere instructies of voorgeschreven werkwijzen zijn over de ingangsdatum van IVA-uitkeringen dan de hiervoor genoemde passages uit het Handboek. Het Uwv heeft ter zitting op 15 november 2023 verklaard dat er is gesignaleerd dat  ondanks dat er aandacht voor is  het nog regelmatig misgaat, waarschijnlijk vanwege onvoldoende bekendheid met het elfde lid van artikel 64 van de Wet WIA. Ook in deze zaak [12] heeft het Uwv de IVA-uitkering toegekend zonder de beperkende werking van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA toe te passen, echter niet zo ver terug als appellante wenst.
4.21.
Appellante heeft met het voorgaande een begin van aannemelijkheid geleverd dat het Uwv het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Het ligt dan vervolgens op de weg van het Uwv om dit te ontzenuwen. Louter de stelling van het Uwv dat in de door appellante overgelegde gevallen (mogelijk) sprake is geweest van incidentele fouten is onvoldoende. Evenmin leidt deze stelling ertoe dat het op de weg van appellante ligt om nog meer vergelijkbare gevallen aan te dragen. Het Uwv zal moeten onderbouwen dat de fouten inderdaad slechts incidenteel aan de orde waren. Dit kan het Uwv (onder meer) doen door gevallen aan te dragen of inzicht te geven in cijfers, waaruit blijkt dat bij laattijdige IVAaanvragen er – tegenover de gemaakte fouten – ook voldoende gevallen zijn aan te wijzen waarbij artikel 64 van de Wet WIA wel juist is toegepast.
Is sprake van incidentele fouten?
4.22.
De Raad heeft het Uwv zowel ter zitting als na heropening van het onderzoek expliciet gevraagd verhoudingsgewijs inzicht te geven in de aantallen gevallen waarin, naar aanleiding van een (herbeoordelings)verzoek van een werkgever, wel en waarin geen toepassing wordt gegeven aan de 52-weken termijn. Volgens het Uwv zijn de gevallen die appellante heeft genoemd uitzonderingen en geven zij geen representatief beeld. In 2023 zijn ca 25.000 IVAuitkeringen ontstaan. De gevallen die appellante heeft ingebracht wijzen niet op het onjuist toepassen van de kaders, die het Uwv hanteert bij het vaststellen van de ingangsdatum van een IVA-uitkering. Gezien het grote aantal IVA-toekenningen is het mogelijk dat er (meer) fouten zijn gemaakt, maar er is geen sprake van een vaste gedragslijn. Het Uwv stelt dat zonder een dossieronderzoek naar alle gevallen waarin sprake is van het (later) ontstaan van een IVA-uitkering geen inzicht kan worden gegeven in het aantal rechtens vergelijkbare gevallen. Zo’n onderzoek acht het Uwv disproportioneel gelet op het beperkte aantal gevallen dat appellante heeft overgelegd.
4.23.
Hoewel de Raad onderkent dat het Uwv op jaarbasis een grote hoeveelheid IVAbesluiten neemt, heeft het Uwv met zijn reactie op geen enkele wijze onderbouwd dat het inderdaad slechts om incidentele gevallen gaat. De enkele stelling dat het gaat om uitzonderingen, onder verwijzing naar het totaal aantal (in 2023) toegekende IVA-uitkeringen, zonder enige in dit verband relevante differentiatie, is daarvoor niet voldoende. Dat aantal toegekende IVA-uitkeringen zegt namelijk niets over het aantal gevallen waarin op verzoek van een werkgever een IVA-uitkering al dan niet met meer dan 52 weken terugwerkende kracht is toegekend zonder dat sprake is van een bijzonder geval. Het is aan het Uwv om tegenover wat appellante heeft aangevoerd inzicht te verschaffen in de consistentie van zijn besluitvorming op dergelijke verzoeken. Alleen het Uwv beschikt over de daarvoor benodigde gegevens. Niet valt in te zien waarom het Uwv hierin niet enig – al dan niet op basis van steekproef – inzicht kan geven. Met een representatieve steekproef zou het Uwv zich kunnen beperken tot onderzoek naar een relatief klein aantal dossiers, en daarmee zijn stelling dat sprake is van incidentele fouten kunnen onderbouwen. Door niet inhoudelijk en getalsmatig op de onderbouwing van appellante en de vragen van de Raad te reageren heeft het Uwv niet onderbouwd dat in de regel wel volgens de wettelijke regels wordt gehandeld.
4.24.
Bij gebrek aan een toereikende reactie van het Uwv op het onderbouwde beroep op het gelijkheidsbeginsel van appellante concludeert de Raad dat in dit geval het gelijkheidsbeginsel is geschonden.
Conclusie gelijkheidsbeginsel
4.25.
Omdat in dit geval toepassing van artikel 64, elfde en twaalfde lid zozeer in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel, moet toepassing daarvan in dit geval achterwege blijven.
4.26.
Ook de besluiten van 22 juli 2014 en 1 juni 2016 vormen geen belemmeringen bij het vaststellen van de datum per wanneer recht op IVA-uitkering bestaat. Weliswaar zijn deze besluiten in rechte komen vast te staan, maar zoals hiervoor in 4.15 van deze uitspraak is overwogen was dat ook het geval in een aantal van de door appellante ingebrachte gevallen. Het gelijkheidsbeginsel dwingt ook op dit punt tot gelijke behandeling, zodat Uwv de IVAuitkering moet toekennen per wanneer ex-werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, ook als deze datum gelegen is vóór de data als genoemd in de besluiten van 22 juli 2014 en 1 juni 2016.
Per wanneer was ex-werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt?
4.27.
Het Uwv had bij het bepalen van de ingangsdatum van de IVA-uitkering van exwerknemer op een gelijke wijze moeten handelen als in de door appellante genoemde gevallen. Dat betekent dat het Uwv niet aan appellante de 52-weken termijn van artikel 64, elfde lid, van de Wet WIA, kan tegenwerpen, maar moet vaststellen of er aanleiding is voor een eerdere ingangsdatum. Daarbij is van belang dat, zoals vermeld onder 1.4 van deze uitspraak, volgens de arts bezwaar en beroep medisch na de ziekmelding op 18 december 2011 weinig was veranderd en na drie jaar behandelen voldoende duidelijk was dat hier weinig verandering meer zou kunnen worden verwacht. Appellante heeft zich gelet op deze toelichting van de arts bezwaar en beroep op het standpunt gesteld dat ex-werknemer vanaf 18 december 2014 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit standpunt wordt gevolgd en de Raad concludeert dan ook dat ex-werknemer per 18 december 2014 recht heeft op een IVA-uitkering.
Overschrijding redelijke termijn
5. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
5.1.
Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [13] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
5.2.
Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante op 6 augustus 2020 tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en vijf maanden en een week verstreken. De zaak zelf is niet als complex aan te merken en ook de opstelling van appellante geeft geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met een jaar, vijf maanden en een week overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.500,-.
5.3.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaarschrift tot het bestreden besluit van 16 december 2020 vier maanden en tien dagen geduurd. Dit betekent dat in de bestuurlijke fase de redelijke termijn niet is overschreden en de overschrijding van de redelijke termijn geheel voor rekening voor de Staat komt. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan betrokkene tot een bedrag van € 1.500,-.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd, behalve voor zover daarbij de kosten van bezwaar zijn vergoed. Onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zal de Raad zelf in de zaak voorzien en het besluit van 9 juli 2020 herroepen en bepalen dat ex-werknemer met ingang van 18 december 2014 recht heeft op een IVA-uitkering.
6.2.
Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. De kosten voor de aan appellante beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden begroot op € 1.868,- voor de kosten van rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt) en € 2.802,- voor de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor de zienswijze op de door de Raad gevraagde reactie van het Uwv en 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting, met een waarde van € 934,- per punt). De totaal door het Uwv te vergoeden proceskosten bedragen € 4.670,-.
6.3.
In verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante ter zake van dat verzoek. Deze kosten worden begroot op € 467,00 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).
6.4.
Verder moet het Uwv het door appellante betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 16 december 2020, behalve voor zover daarbij de kosten van bezwaar zijn vergoed;
  • herroept het besluit van 9 juli 2020 en kent aan ex-werknemer met ingang van 18 december 2014 een IVA-uitkering toe;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde (deel van het) besluit van 16 december 2020;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.500,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 467,-;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.670,-;
  • bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep van in totaal € 908,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en C. Karman en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van M. Dafir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) M. Dafir

Voetnoten

1.CRvB 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4860.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1805.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:959.
4.Kamerstukken II, 2004/05, 30 034, nr. 3, bladzijde 69.
5.Zie de uitspraak van de Raad van 17 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:959.
6.Zie de uitspraak van de Raad van 17 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:959.
7.CRvB 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4860.
8.ABRvS 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
9.Tussenuitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 3 mei 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:2059.
10.Uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 juni 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:2923.
11.Verzamelwet SZW-wetgeving 2009
12.en in de zaak van appellante met nummer 21/4485 WIA.
13.Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.