ECLI:NL:CRVB:2026:554
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellante heeft sinds 2005 meerdere keren een Wajong-uitkering aangevraagd, waarbij het UWV telkens heeft geweigerd deze toe te kennen op grond van onvoldoende arbeidsongeschiktheid (minder dan 25%). In 2023 diende zij opnieuw een aanvraag in met aanvullende medische informatie, maar het UWV concludeerde dat deze gegevens geen aanleiding gaven om eerdere besluiten te herzien.
De rechtbank Noord-Nederland heeft het bezwaar van appellante tegen het laatste besluit ongegrond verklaard, waarbij werd overwogen dat het UWV zorgvuldig en gemotiveerd heeft gehandeld en dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die een herbeoordeling rechtvaardigen. De rechtbank wees ook het beroep van appellante af, die stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zij al vanaf haar zeventiende jaar arbeidsongeschikt was.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Raad stelde vast dat de aanvraag van appellante beoordeeld moet worden aan de hand van de destijds geldende criteria van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die een herziening van de eerdere besluiten rechtvaardigen.
De Raad oordeelde dat het beroep niet slaagt en dat de weigering van de Wajong-uitkering in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer op 7 mei 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.