Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:567

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
25/1294 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 7:12 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 70,10% ondanks bezwaar appellant met ASS

Appellant, werkzaam als verzorgende, werd door het Uwv per 4 juni 2022 arbeidsongeschikt verklaard met een percentage van 70,10%. Hij betwistte dit en stelde dat zijn Autisme Spectrum Stoornis (ASS) en prikkelgevoeligheid onvoldoende in de functieselectie waren meegenomen. De rechtbank Overijssel vernietigde het eerdere besluit van het Uwv vanwege onvoldoende motivering over de medische geschiktheid van bepaalde functies.

Na nadere motivering door het Uwv handhaafde de rechtbank het besluit. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat de prikkelarme omgeving onvoldoende was gewaarborgd en dat de FML niet volledig rekening hield met zijn beperkingen. De Raad oordeelde dat de FML van 28 juni 2023 bindend is en dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de functies productiemedewerker industrie en medewerker binderij medisch passend zijn, mede door aanpassingen zoals het gebruik van koptelefoons en het plaatsen van tussenschotten.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt, bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het Uwv tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht van appellant. De vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 70,10% blijft daarmee ongewijzigd.

Uitkomst: De vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 70,10% wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt afgewezen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/1294 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 15 mei 2025, 24/2886 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 4 juni 2022 heeft vastgesteld op 70,10%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.J. Heijtlager, advocaat, hoger beroep ingesteld en een medisch-arbeidskundig rapport van 4 augustus 2025 van een door appellant ingeschakelde juridisch arbeidskundig adviseur en een medisch adviseur overgelegd. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overgelegd. Op verzoek van de Raad heeft het Uwv gereageerd op het door appellant ingediende medisch-arbeidskundige rapport.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 april 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Heijtlager. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is vanaf 1 november 2013 werkzaam geweest als Verzorgende Individuele Gezondheidszorg voor gemiddeld ruim 21 uur per week. Op 8 juni 2019 heeft hij zich ziekgemeld wegens psychische klachten. Appellant heeft een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend bij het Uwv. Het Uwv heeft de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever verlengd tot 4 juni 2022 en de behandeling van de aanvraag om een WIA-uitkering opgeschort tot diezelfde datum. Vervolgens heeft er onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 juli 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd op basis waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is berekend op 39,93%. Bij besluit van 28 september 2022 heeft het Uwv appellant met ingang van 4 juni 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Bij besluit van 4 juli 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 4 juni 2022 alsnog vastgesteld op 70,10%. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 28 juni 2023 één beperking toegevoegd aan de FML, te weten een beperking voor werkzaamheden waarin doorgaans direct contact met collega's vereist is (punt 2.12.4). Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geoordeeld dat één functie binnen de SBC-code 111334 (huishoudelijk medewerker gebouwen) in medisch opzicht niet geschikt is voor appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft binnen dezelfde SBC-code een andere, geschikte functie kunnen selecteren. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw vastgesteld op 70,10%. Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. 1.3. Bij uitspraak van 20 maart 2024, 23/1677 [1] heeft de rechtbank Overijssel het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd en het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv. Ook heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de functie huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) in medisch opzicht geschikt is voor appellant. De medische geschiktheid van de functies productiemedewerker industrie (SBC-codes 111180) en medewerker binderij (SBC-code 268030) heeft het Uwv echter onvoldoende gemotiveerd, gelet op wat hierover is aangevoerd in het door appellant overgelegde medischarbeidskundig rapport. Over de functie productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) heeft de rechtbank overwogen dat sprake is van een prikkelrijke omgeving met een forse geluidsbelasting. Zonder nadere toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is de rechtbank van oordeel dat de geluidsbelasting in de functie niet in overeenstemming is met de beperking van appellant voor het werken in een prikkelrijke omgeving. Voor de functie productiemedewerker industrie heeft het Uwv wel voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van overschrijding van de beperking van appellant voor het werken met collega’s. Voor de functie medewerker binderij (SBC-code 268030) geldt ook dat sprake is van een prikkelrijke omgeving. Het is niet uitgesloten dat andere werknemers appellant afleiden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat deze functie geschikt is voor appellant. Omdat de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 onvoldoende is gemotiveerd, heeft de rechtbank het Uwv opdracht gegeven om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant. Appellant heeft tegen deze uitspraak van de rechtbank Overijssel geen hoger beroep ingesteld.
1.3.
Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv op 14 mei 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2), waarbij de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nader heeft gemotiveerd dat de functies productiemedewerker industrie (SBC-codes 111180) en medewerker binderij (SBC-code 268030) in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. Het Uwv heeft met het bestreden besluit 2 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 4 juni 2022 ongewijzigd vastgesteld op 70,10%.
Uitspraak van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee bestreden besluit 2 in stand gelaten. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 maart 2024, 23/1677. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, zoals neergelegd in de FML van 28 juni 2023, in de onderhavige procedure niet meer ter beoordeling voorligt. Dit geldt ook voor de geschiktheid van de functie huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334). Wat betreft de functie productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) staat vast dat de belastbaarheid van appellant voor werken met collega’s niet wordt overschreden. De rechtbank heeft geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 3 mei 2024 alsnog voldoende heeft toegelicht dat de functies productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en medewerker binderij (SBC-code 268030) in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hiertoe heeft appellant aangevoerd dat bij hem in augustus 2022 de diagnose Autisme Spectrum Stoornis (ASS) is vastgesteld, met een ernstniveau waarbij hij substantiële tot zeer intensieve ondersteuning nodig heeft. Volgens appellant heeft het Uwv bij de functieselectie onvoldoende rekening gehouden met de ernst en complexiteit van de ASS. Appellant heeft een medischarbeidskundig rapport van 4 augustus 2025 overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt dat de functies in medisch opzicht ongeschikt zijn, omdat onvoldoende rekening is gehouden met zijn prikkelgevoeligheid. Volgens dit rapport is de FML het enige uitgangspunt geweest voor de functieselectie, en hebben de arbeidsdeskundigen van het Uwv geen toegang gehad tot de rapporten van de verzekeringsartsen. Hierdoor is de arbeidskundige beoordeling onzorgvuldig. Ondanks eventuele aanpassingen zoals gehoorbescherming of het plaatsen van schotten, betekent ASS voor appellant dat hij impulsen niet kan verwerken. Ook met deze aanpassingen is onvoorspelbaarheid in de werksituaties niet te voorkomen; dit ligt besloten in de werking van het brein van iemand met ASS. Dit betekent dat de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van appellant overschrijdt. Volgens de door appellant ingeschakelde medisch adviseur is het standpunt van het Uwv dat de beperkingen ten aanzien van afleiding door prikkels niet zou gelden bij eenvoudige taken, onjuist. Afleiding door prikkels is een intrinsieke beperking, die altijd aanwezig is en dus voor alle geselecteerde functies geldt.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft een rapport van 5 september 2025 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overgelegd waarin twee signaleringen alsnog zijn gemotiveerd. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies blijven volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ongewijzigd geschikt voor appellant.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 70,10% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, zoals neergelegd in de FML van 28 juni 2023, niet (meer) ter beoordeling voorligt in deze procedure omdat de rechtbank in haar uitspraak van 20 maart 2024 de daartegen gerichte gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en appellant geen hoger beroep heeft ingesteld tegen deze uitspraak. [2] Dit geldt ook voor de medische geschiktheid van de functie huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334). Ter beoordeling ligt uitsluitend voor of het Uwv op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 20 maart 2024 door een nadere motivering te geven voor de medische geschiktheid van de overige twee aan de schatting ten grondslag gelegde functies, te weten productiemedewerker (SBC-code 111180) en medewerker binderij (SBC-code 268030). Daarbij moet voor de functie van productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) als vaststaand worden aangenomen dat de belastbaarheid van appellant voor het werken met collega’s niet wordt overschreden.
4.3. De gronden die in het door appellant overgelegde medisch-arbeidskundige rapport van 4 augustus 2025 zijn aangevoerd over de ongeschiktheid van de functies wegens de prikkelgevoeligheid van appellant, komen er in de kern op neer dat het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist heeft vastgesteld/heeft overschat. Aangezien in deze procedure moet worden uitgegaan van de juistheid van de FML van 28 juni 2023, zullen deze gronden onbesproken blijven.
4.4.1.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 28 juni 2023 moet beoordeeld worden of het Uwv met het rapport van 3 mei 2024 voldoende heeft gemotiveerd dat de functies van productiemedewerker (SBC-code 111180) en medewerker binderij (SBC-code 268030) in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. Op basis van de FML van 28 juni 2023 is appellant aangewezen op een rustige, prikkelarme omgeving.
4.4.2.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 3 mei 2024 voldoende heeft gemotiveerd dat de functies productiemedewerker (SBC-code 111180) en medewerker binderij (SBC-code 268030) in medisch opzicht passend zijn voor appellant omdat een voldoende prikkelarme omgeving kan worden gecreëerd. Anders dan appellant heeft gesteld, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij de beoordeling van de geschiktheid van de functies niet alleen gebruik gemaakt van het CBBS. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft hierbij ook de informatie in de rapporten van de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokken. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aan een arbeidskundig analist gevraagd welke mogelijkheden er zijn om de functies zoveel mogelijk prikkelarm te maken voor appellant. De arbeidskundig analist heeft verklaard dat in de functie van productiemedewerker een koptelefoon of oordopjes, al dan niet met noise cancelling, kan worden gedragen. In deze functie is men erg individueel bezig, communicatie met collega’s is geen wezenlijk onderdeel van de functie. Verder heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk toegelicht dat de geluidsbelasting in deze functie lager is dan 80 decibel. Voor de functie medewerker binderij heeft de arbeidskundig analist aangegeven dat het mogelijk is om tussenschotten te plaatsen als voorziening. Bij de naar buiten gerichte werkplekken kan op deze manier een soort eigen compartiment worden gecreëerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft verder toegelicht dat in deze functie samenwerken niet aan de orde is, het werk betreft solitaire taken. Over sociale interactie als appellant zelf rondloopt, kunnen afspraken gemaakt worden. Er is daarom volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geen reden om te stellen dat er een onvoldoende prikkelarme omgeving is. Dit standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep wordt gevolgd.

Conclusie en gevolgen

5. Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. Het Uwv heeft in hoger beroep twee signaleringen in de functies alsnog gemotiveerd. Gelet op deze nadere arbeidskundige motivering is het bestreden besluit pas in hoger beroep voorzien van een toereikende motivering wat betreft de medische geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal onder toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellant hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden moet worden bevestigd. Dit betekent dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 70,10%, in stand blijft.
6.1.
De toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 934,- per punt) en € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) voor verleende rechtsbijstand. In totaal is dit € 3.736,- aan kosten voor verleende rechtsbijstand.
6.2.
De kosten van de door appellant ingeschakelde deskundigen komen gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking. Het gaat hierbij om de in beroep en in hoger beroep opgestelde medisch-arbeidskundige rapporten van 11 juli 2024 en van 4 augustus 2025. De vergoeding voor de kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, wordt berekend conform het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Daarbij geldt een maximaal uurtarief van € 154,50 in 2024. De kosten voor het deskundigenrapport komen daarom tot een bedrag van € 2.243,34 (12 x € 154,50 = € 1.854,-, vermeerderd met de omzetbelasting van 21%) voor vergoeding in aanmerking. De factuur van 20 november 2023 is niet herleidbaar tot een in deze procedure in beroep of hoger beroep ingediend deskundigenrapport, en komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Het totale bedrag aan voor vergoeding door het Uwv in aanmerking komende proceskosten bedraagt dan € 3.736,- plus € 2.243,34 = € 5.979,34. Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 5.979,34;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 194,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna als voorzitter en F.M. Rijnbeek en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH0865.