In deze zaak staat de vaststelling van de einddatum van de WGA-uitkering en de ingangsdatum van de IVA-uitkering van een ex-werknemer centraal. Het UWV stelde dat de IVA-uitkering niet eerder dan 27 november 2018 kon ingaan, terwijl appellante betoogde dat de WGA-uitkering van rechtswege eindigt zodra de werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, waardoor de WGA-uitkering te lang zou zijn verstrekt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit van het UWV niet-ontvankelijk en oordeelde dat de IVA-uitkering terecht niet eerder was toegekend dan 27 november 2018. Appellante ging in hoger beroep en handhaafde haar standpunt, onderbouwd met medische rapporten en een beroep op het gelijkheidsbeginsel, waarbij zij verwees naar vergelijkbare gevallen waarin het UWV met terugwerkende kracht van meer dan 52 weken een IVA-uitkering had toegekend.
De Raad concludeert dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt omdat het UWV in soortgelijke gevallen ongelijk heeft gehandeld zonder dat sprake was van bijzondere gevallen die afwijking van de 52-weken termijn rechtvaardigen. Het UWV heeft onvoldoende onderbouwd dat het hier slechts om incidentele fouten gaat. Daarom moet het UWV nader onderzoek doen naar de datum waarop de ex-werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en het besluit dienovereenkomstig aanpassen. De zaak wordt aangehouden voor een einduitspraak.