ECLI:NL:CRVB:2026:62

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
24/2492 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering van toeslag met boete wegens schending van de inlichtingenplicht

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland. De zaak betreft de herziening en terugvordering van een toeslag door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) van appellante, die sinds 12 januari 2017 een uitkering ontvangt op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellante had op 19 oktober 2017 een toeslag aangevraagd op basis van de Toeslagenwet (TW), die was toegekend. Echter, tijdens een hercontrole in maart 2023 bleek dat haar partner in 2021 en 2022 inkomen had, wat niet was gemeld. Het Uwv heeft daarop de toeslag herzien en teruggevorderd over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022, en een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht. De Raad heeft geoordeeld dat het Uwv terecht de toeslag heeft herzien en teruggevorderd, en dat de boete terecht is opgelegd. Appellante heeft niet aangetoond dat zij haar inlichtingenplicht niet heeft geschonden, en er was geen dringende reden om van terugvordering af te zien. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 september 2024, 24/1195 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht de toeslag van appellante heeft herzien en teruggevorderd over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022. Daarnaast dient de vraag te worden beantwoord of het Uwv terecht aan appellante een boete heeft opgelegd wegens het schenden van de inlichtingenplicht. De Raad beantwoordt deze vragen bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 3 december 2025. Voor appellante is mr. Van Dijk verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellante ontvangt sinds 12 januari 2017 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellante heeft op 19 oktober 2017 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) aangevraagd. De toeslag is toegekend met ingang van 12 oktober 2017.
1.2.
In het kader van een hercontrole is op 8 maart 2023 in een telefoongesprek met appellante gebleken dat haar partner in 2021 en 2022 heeft gewerkt en inkomen heeft gehad. Het Uwv heeft vervolgens informatie opgevraagd bij de Belastingdienst. Uit de ontvangen informatie bleek dat de partner van appellante in het belastingjaar 2021 winst uit onderneming had van € 19.107,-. De belastbare winst bedroeg € 9.977,-. Over 2022 was een voorlopige aanslag bekend, waarbij is uitgegaan van € 17.939,- winst uit onderneming en € 10.000,- belastbare winst. Het Uwv heeft met in achtneming van deze gegevens het recht op toeslag over de jaren 2021 en 2022 opnieuw berekend en vastgesteld dat appellante over deze jaren geen recht op toeslag had.
1.3.
Bij besluit van 8 augustus 2023 is de toeslag van appellante per 1 augustus 2023 beëindigd, omdat de inkomsten van haar en haar partner hoger zijn dan het toepasselijke sociaal minimum.
1.4.
Bij besluit van 5 september 2023 heeft het Uwv de toeslag van appellante over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022 herzien en een bedrag van € 25.331,30 bruto aan onverschuldigd betaalde toeslag van appellante teruggevorderd.
1.5.
Bij een ander besluit van 5 september 2023 heeft het Uwv aan appellante een boete opgelegd ter hoogte van € 4.392,- wegens schending van de inlichtingenplicht.
1.6.
Appellante heeft tegen de besluiten van 5 september 2023 bezwaar gemaakt. De bezwaren zijn met de beslissing op bezwaar van 1 februari 2024 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft doorgegeven dat haar partner werkt of inkomen heeft en appellante zich daarom niet heeft gehouden aan de inlichtingenplicht. Verder is volgens het Uwv de hoogte van de terugvordering juist vastgesteld en is terecht aan appellante een boete opgelegd.
Nadere besluitvorming
1.7.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Hangende de beroepsprocedure bij de rechtbank heeft het Uwv op 22 augustus 2024 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2), waarbij het Uwv het bezwaar voor wat betreft de hoogte van de boete gegrond heeft verklaard en de opgelegde boete heeft verlaagd naar € 40,- in verband met het ontbreken van afloscapaciteit. Daarbij heeft het Uwv toegezegd de kosten in bezwaar te vergoeden. Voor het overige is bestreden besluit 1 in stand gehouden. Het Uwv heeft de motivering van dat besluit aangevuld met de conclusie dat geen sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien nu de terugvordering aan appellante te wijten is, omdat zij de inkomsten niet heeft gemeld en geen sprake is van persoonlijke omstandigheden die moeten leiden tot matiging.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bestreden besluit 2 in de beoordeling betrokken. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en daarmee dat besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft ook bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en het door appellante betaalde griffierecht.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden en daarom terecht de toeslag over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022 heeft herzien en teruggevorderd. In de toekenningsbeslissing staat dat appellante wijzigingen in haar situatie binnen een week aan het Uwv moet doorgeven. Vaststaat dat appellante niet via de voorgeschreven weg, namelijk via het formulier op de website of telefonisch, binnen een week melding heeft gemaakt bij het Uwv van de werkzaamheden en/of het inkomen van haar partner. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij dit wel aan haar werkcoach heeft gemeld. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake was van dringende redenen om af te zien van herziening en terugvordering van de toeslag. Appellante heeft de inlichtingenplicht geschonden. Van een nalatigheid van het Uwv is niet gebleken. Appellante heeft verder ook geen feiten en omstandigheden aangevoerd die voor het Uwv aanleiding hadden moeten zijn om een dringende reden aan te nemen. Het Uwv heeft rekening gehouden met de financiële situatie van appellante door de aflossing te beperken tot € 25,- per maand. Niet is gesteld of gebleken dat appellante in financiële nood is geraakt.
2.2.
Met betrekking tot de opgelegde boete heeft de rechtbank geoordeeld dat die terecht is opgelegd, omdat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden. Door de boete te matigen tot € 40,- heeft het Uwv voldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van appellante. Appellante heeft geen andere omstandigheden aangevoerd dan die door het Uwv in de afweging zijn betrokken.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Appellante heeft met haar werkcoach van het Uwv besproken dat haar partner inkomsten heeft. Nu documentatie van het Uwv hierover niet sluitend is, dient dit voor rekening en risico van het Uwv te komen. Daarnaast stelt appellante dat sprake is van een dringende reden om geheel dan wel gedeeltelijk van herziening en terugvordering af te zien. Appellante stelt dat het op de weg van het Uwv had gelegen om regelmatig bij haar te informeren naar haar situatie. Het Uwv heeft volgens appellante dan ook een aandeel in het oplopen van het bedrag van de herziening en terugvordering. Verder was appellante in de veronderstelling dat de maandelijkse betalingen een voortzetting van haar loongerelateerde WIA-uitkering betroffen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft het standpunt van appellante, dat zij wel aan haar inlichtingenplicht heeft voldaan omdat zij tijdens een gesprek met (de consulent van) het Uwv heeft gemeld dat haar partner inkomsten ontvangt, gemotiveerd weersproken. Met betrekking tot de aanwezigheid van een dringende reden heeft het Uwv gesteld dat hiervan geen sprake is. De omstandigheid dat eerst in 2023 onderzoek is ingesteld naar de rechtmatigheid van de uitkering van appellante, is niet voldoende zwaarwegend om in dit geval tot een dringende reden te concluderen. Daarbij gaat het om een terugvordering over de jaren 2021 en 2022, zodat geen sprake is van jarenlang stilzitten aan de zijde van het Uwv.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Schending inlichtingenplicht
5.1.
Een besluit tot herziening en terugvordering van een uitkering is een belastend besluit waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. [1] Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat appellante, door geen opgave te doen van inkomsten van haar partner, de inlichtingenplicht heeft geschonden. Als het Uwv aan deze bewijslast heeft voldaan, ligt het vervolgens op de weg van appellante om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. [2]
5.2.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd. Vaststaat dat appellante de inkomsten van haar partner niet heeft gemeld. Naar aanleiding van de stelling van appellante dat zij de inkomsten aan haar consulent van het Uwv heeft gemeld, heeft het Uwv bij de betreffende werkcoach navraag gedaan. Uit een e-mail van 10 januari 2024 van deze werkcoach blijkt dat uit de aantekeningen van de gesprekken die zij met appellante heeft gehad, de financiële situatie van appellante enkel op 8 februari 2021 en in augustus 2023 ter sprake is gekomen. In augustus 2023 heeft appellante verteld over haar ziektekostenverzekering. Op 8 februari 2021 heeft de werkcoach genoteerd: “Haar man (ook arbeidsongeschikt maar geen uitkering) en haar kinderen (21, 15, 10 en 5 jaar) runnen de huishouding. Gezinsinkomen bestaat uit haar uitkering en een aanvulling van de Sociale Dienst”. Afgaande op deze gespreksaantekening blijkt dat appellante tijdens deze gesprekken niets heeft verteld over inkomsten van haar partner, maar juist te kennen geeft dat haar uitkering en een aanvulling daarop de enige inkomsten van het gezin waren. Het Uwv heeft hiermee aannemelijk gemaakt dat de inkomsten ook niet aan de werkcoach zijn gemeld. De stelling van appellante dat de verslaglegging van het Uwv niet sluitend is en wellicht niet alles is opgeschreven wat zij heeft verteld, wordt niet gevolgd. Appellante betwist niet de juistheid van de weergave van wat zij tijdens de gesprekken met de werkcoach heeft gemeld. Het ligt niet in de rede dat de werkcoach informatie die van wezenlijk belang is voor de uitkering niet in een gespreksverslag zou vermelden.
Herziening en terugvordering toeslag
5.3.
Niet in geschil is dat vanwege het inkomen van de partner van appellante in de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2022 geen recht bestond op toeslag. Gelet op artikel 11a, eerste lid, van de TW en artikel 20, eerste lid, van de TW was het Uwv daarom gehouden de onverschuldigd betaalde toeslag te herzien en terug te vorderen. Dit is alleen anders indien sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van herziening of terugvordering af te zien.
Dringende reden
5.4.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 [3] heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden voortaan als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
5.5.
De Raad is van oordeel dat het Uwv geen aanleiding heeft hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van de herziening en terugvordering af te zien. De oorzaak van de herziening en terugvordering is geheel aan appellante te wijten, nu zij de inkomsten van haar partner niet heeft gemeld. Appellante wordt dan ook niet gevolgd in haar standpunt dat de oorzaak van de herziening en terugvordering (mede) aan het Uwv is te wijten omdat geen controles zijn uitgevoerd op de rechtmatigheid van de aan haar betaalde toeslag. Van onvoldoende controle door het Uwv is niet gebleken. Appellante heeft niet gesteld dat de terugvordering voor haar onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen heeft. Bovendien heeft het Uwv bij de invordering de betalingsregeling afgestemd op de financiële omstandigheden en aflossingscapaciteit van appellant. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om in dit geval de (financiële) gevolgen van het intrekkings- en terugvorderingsbesluit voor appellante als onevenredig te beoordelen.
Boete
5.6.
Volgens vaste rechtspraak is de bewijslast voor het opleggen van een boete zwaarder dan die bij de toepassing van de bevoegdheid tot beëindiging, herziening of intrekking van een uitkering op de grond dat de inlichtingenplicht is geschonden en van de bevoegdheid tot terugvordering wegens onterecht of tot een te hoog bedrag ontvangen uitkering. [4] Dit brengt mee dat het Uwv moet aantonen dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden.
5.7.
Uit 4.2 volgt dat het Uwv niet alleen aannemelijk heeft gemaakt, maar ook heeft aangetoond dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Appellante kan daarvan een verwijt worden gemaakt. Het Uwv was daarom verplicht om aan appellante een boete op te leggen. De Raad acht de hoogte van de boete evenredig. Met het opleggen van een boete van € 40,- heeft het Uwv voldoende rekening gehouden met de financiële draagkracht van appellante.

Conclusie en gevolgen

5.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat het besluit tot herziening en terugvordering van de toeslag en het gewijzigde besluit met betrekking tot de boete in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en G.C. Boot en S. Wijna als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) D.M.A. van de Geijn

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Toeslagenwet
Artikel 11a
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van toeslag en terzake van weigering van toeslag, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag;
b. indien anderszins de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op toeslag bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 14a
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door degene die aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 12. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 12, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 12, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 12, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan toeslag is ontvangen.
[…]
5. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door degene die aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 12, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan toeslag is ontvangen, van ten hoogste 150 procent van het benadelingsbedrag, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden.
[…]
8. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
[…]
10. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
Artikel 20
1. De toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
[…]
5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 8 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2708.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 5 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:184.
3.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:470.