ECLI:NL:CRVB:2026:62
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering toeslag wegens schending inlichtingenplicht
Appellante ontving sinds 2017 een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Tijdens een hercontrole in 2023 bleek dat haar partner in 2021 en 2022 inkomsten had, wat niet was gemeld. Het UWV herzag daarop de toeslag en vorderde het onverschuldigd betaalde bedrag terug, tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het terugvorderingsbesluit ongegrond en matigde de boete vanwege aflossingscapaciteit. Appellante stelde in hoger beroep dat zij de inkomsten wel had gemeld aan haar werkcoach en dat het UWV mede verantwoordelijk was voor de terugvordering wegens onvoldoende controle.
De Raad oordeelt dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden, omdat uit de gespreksverslagen blijkt dat zij de inkomsten niet heeft gemeld. Het UWV heeft de bewijslast voldoende gedragen. Er is geen dringende reden om af te zien van terugvordering, aangezien de oorzaak volledig aan appellante te wijten is en de financiële gevolgen zijn beperkt door een betalingsregeling.
De boete is terecht opgelegd en gematigd tot €40,-, passend bij de financiële situatie van appellante. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van de toeslag en de opgelegde boete wegens schending van de inlichtingenplicht.