Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:635

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
24/2432 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56, derde lid, Wet WIAArt. 4:1, eerste lid, aanhef en onder a, Algemeen InkomensbesluitArt. 4:1, derde lid, Algemeen InkomensbesluitArt. 4:1, achtste lid, Algemeen InkomensbesluitArt. 4:1, elfde lid, Algemeen Inkomensbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering wegens overschrijding inkomensgrens na ziekte

Appellante ontving een WIA-uitkering en was daarnaast werkzaam als leerkracht. Het UWV beëindigde haar uitkering per 4 oktober 2023 omdat zij met inkomsten uit werk een jaar lang meer dan 65% van haar maatmaninkomen had verdiend. Appellante stelde dat het UWV het inkomen over december 2022 onjuist had vastgesteld, met name door een foutieve verwerking van de fiscale uitruil van reiskostenvergoeding.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante onvoldoende had aangetoond dat de polisgegevens onjuist waren. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat het UWV de berekening van het inkomen correct heeft uitgevoerd volgens de geldende beleidsregels en het Algemeen Inkomensbesluit.

De Raad benadrukt dat de reiskostenvergoeding terecht buiten het loon is gelaten en dat appellante inconsistent was in haar berekeningen. Het hoger beroep wordt verworpen, waardoor de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens overschrijding van de inkomensgrens.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2432 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 september 2024, 23/8401 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van appellante per 4 oktober 2023 heeft beëindigd, omdat zij met inkomsten uit werk een jaar lang meer dan 65% heeft verdiend dan het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Volgens appellante heeft het Uwv het inkomen over december 2022 onjuist vastgesteld, waardoor het Uwv van een te hoog inkomen is uitgegaan. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Wind, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken overgelegd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 12 maart 2026. Voor appellante is mr. Wind verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. van Riet.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontving een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Daarnaast was zij werkzaam als leerkracht bij Stichting [naam onderwijs] . Het Uwv heeft bij besluit van 3 augustus 2023 de WIA-uitkering van appellante per 4 oktober 2023 beëindigd, omdat zij met inkomsten uit werk een jaar lang meer dan 65% heeft verdiend dan het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.
1.2.
Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, omdat het Uwv volgens haar het inkomen in december 2022 onjuist heeft vastgesteld. Bij besluit van 1 november 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet wordt gevolgd in haar stelling dat de polisgegevens onjuist zijn. Volgens de Beleidsregels Uwv gebruik polisgegevens 2018 gaat het Uwv voor besluiten over het verrekenen van inkomsten uit van de gegevens die aanwezig zijn in de polisadministratie, tenzij de werknemer heeft aangetoond dat deze onjuist zijn. De werkgever moet dan alsnog een gecorrigeerde loonaangifte doen zodat het Uwv met het juiste loon rekening kan houden. Volgens de rechtbank heeft appellante niet aangetoond dat de gegevens in de polisadministratie, in dit geval de berekening van het SV-loon door de werkgever, niet kloppen. Dat appellante haar eigen berekeningen heeft uitgevoerd en overgelegd, maakt dit niet anders. Appellante zal zich tot de werkgever moeten wenden om een correctie aan te brengen als zij denkt dat er een onjuist SV-loon is aangegeven. Pas als de werkgever die correctie verwerkt heeft en deze in de polisadministratie is opgenomen, zou het Uwv met een ander bedrag aan loon rekening kunnen houden. Niet blijkt dat appellante zich tot haar werkgever gewend heeft. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv in redelijkheid niet zonder appellante te horen had mogen beslissen, omdat geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Dit betekent dat sprake is van een gebrek in de procedure, dat de rechtbank heeft gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de proceskosten en te bepalen dat het Uwv het betaalde griffierecht aan appellante vergoedt.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover het gaat om de hoogte van haar inkomen. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zij meer dan voldoende heeft gesteld en cijfermatig heeft onderbouwd dat de gegevens in de polisadministratie niet juist zijn, omdat de werkgever de fiscale uitruil niet correct heeft verwerkt in het salarissysteem. De rechtbank had daarom het Uwv moeten opdragen nader onderzoek uit te voeren. Materieel heeft appellante aangevoerd dat het Uwv haar inkomsten in december 2022 op een te hoog bedrag heeft vastgesteld, waardoor het Uwv ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat zij een jaar lang minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Ten onrechte heeft de werkgever een bedrag van € 2.003,94 in de polisadministratie opgevoerd als betaald arbeidsvoorwaardenbedrag. De fiscale uitruil van reiskosten ter hoogte van € 263,96 is namelijk ten onrechte in mindering gebracht op het uitbetaalde arbeidsvoorwaardenbedrag van € 2.2367,90. Het inkomen in december 2022 had volgens appellante moeten worden vastgesteld op € 2.440,40. Daarmee heeft appellante in december 2022 minder dan 65% van het maatmaninkomen verdiend en wordt niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 56, derde lid van de Wet WIA om de WIA-uitkering te beëindigen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de WIA-uitkering van appellante in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Artikel 56, derde lid, van de Wet WIA bepaalt, voor zover hier van belang, dat het recht op een WGA-uitkering van de verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35%, omdat hij met arbeid meer verdient dan 65% van het maatmaninkomen per uur, eindigt één jaar na de dag waarop hij niet langer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is.
5.2.
Volgens artikel 4:1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Algemeen Inkomensbesluit (AIB) wordt voor de toepassing van de Wet WIA het inkomen herleid tot een bedrag per kalendermaand. Op grond van het derde lid wordt bij de toepassing van het eerste lid het loon door de uitkeringsgerechtigde geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.
5.3.
In artikel 4:1, achtste lid, van het AIB is, voor zover van belang, bepaald dat het Uwv bij de vaststelling van het inkomen het in een aangiftetijdvak opgebouwde bedrag aan vakantiebijslag en de opgebouwde looncomponenten ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag in aanmerking neemt, waarbij het betaalde bedrag aan vakantiebijslag en de uitbetaalde looncomponenten ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag niet in aanmerking worden genomen. Artikel 4:1, elfde lid, van het AIB bepaalt dat indien toepassing van dit artikel leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat, het Uwv het inkomen op een andere wijze bepaalt.
5.4.
Niet in geschil is dat het Uwv bij de berekening van het in aanmerking te nemen inkomen van appellante toepassing heeft gegeven aan artikel 4:1, achtste lid, van het AIB. De berekeningswijze voor het relevante inkomen luidt dan als volgt:
SV-loon -/- betaalde VT +/+ opgebouwde VT -/- betaald AVWB +/+ opgebouwd AVWB
waarbij VT staat voor vakantietoeslag en AVWB voor arbeidsvoorwaardenbedrag.
In het geval van appellante is het Uwv met toepassing van deze berekeningswijze tot de volgende berekening van het inkomen in de maand december 2022 gekomen:
€ 4.257,03 (SV-loon) -/- € 0,- (betaalde VT) +/+ € 191,84 (opgebouwde VT) -/- € 2.003,94 (€ 2.267,90 - € 263,96
)(betaald AVWB) +/+ € 259,43 (opgebouwd AVWB) = € 2.704,36.
5.5.1.
Niet in geschil is dat het SV-loon € 4.257,03 bedraagt. Dit bedrag is opgebouwd uit het loon over de maand december 2022 (€ 2.253,09) en het uitbetaalde bedrag aan AVWB (€ 2.003,94). Ook de bedragen aan opbouw van het vakantiegeld en opbouw van het AVWB zijn niet in geschil. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of het Uwv bij het bepalen van de hoogte van het betaalde AVWB terecht een bedrag van € 2.003,94 in aanmerking heeft genomen.
5.5.2.
Uit de loonstrook van december 2022 blijkt dat de werkgever de afname van het arbeidsvoorwaardenbedrag van € 2.267,90 heeft gesplitst in een uitbetaald bedrag van € 2.003,94 en een bedrag van € 263,96 dat appellante heeft uitgeruild tegen een extra reiskostenvergoeding. Niet in geschil is dat dit laatste bedrag geen loon is en buiten beschouwing moet blijven.
5.5.
Anders dan appellante heeft gesteld, heeft het Uwv bij het berekenen van het inkomen in december 2022 terecht een bedrag van € 2.003,94 aan betaald AVWB in aanmerking genomen. De berekening die appellante daartegenover heeft gesteld, wordt niet gevolgd. Volgens appellante had het bedrag aan reiskostenvergoeding ter hoogte van € 263,96 niet in mindering mogen worden gebracht op het uitbetaalde AVWB, zodat gerekend had moeten worden met een bedrag van € 2.267,90. Dit zou dan leiden tot een inkomen van € 2.440,40. Tegelijkertijd is appellante bij het berekenen van het SV-loon uitgegaan van een bedrag van € 4.257,03, dat bestaat uit € 2.253,09 aan salaris over de maand december 2022 en € 2.003,94 aan betaald AVWB. Dit betekent dat appellante bij het berekenen van het SV-loon wél de reiskostenvergoeding van € 263,96 in mindering heeft gebracht en bij het berekenen van het in mindering te brengen betaalde AVWB niet. Dat is inconsequent. Zoals het Uwv ter zitting terecht naar voren heeft gebracht, moet bij de berekening van het SV-loon van dezelfde bedragen worden uitgegaan als bij de berekening van het betaalde AVWB. In de lezing van appellante zou het inkomen extra worden verlaagd door de reiskostenvergoeding eerst in mindering te brengen op het SV-loon, en daarna nog eens door het bedrag op te tellen bij het bedrag aan AVWB dat niet in aanmerking wordt genomen. Dit leidt tot een te lage vaststelling van het inkomen in december 2022.
5.7.
In eerdere uitspraken [1] heeft de Raad overwogen dat op grond van artikel 4:1, achtste lid, van het AIB, voor VT en AVWB wordt uitgegaan van de per tijdvak opgebouwde bedragen, in plaats van de uitbetaalde bedragen. Daarbij heeft de Raad overwogen dat de omstandigheid dat aan de betrokkenen in die zaken een lager bedrag aan AVWB is uitbetaald dan het totaal van het opgebouwde bedrag, het gevolg is van de keuze die betrokkenen hebben gemaakt om dat bestanddeel in te zetten voor een ander doel. Ook appellante heeft een dergelijke keuze gemaakt. Appellante heeft voor het ingezette bedrag van € 263,96 extra reiskostenvergoeding ontvangen in de vorm van een fiscaal onbelaste uitruil van reiskosten. Deze uitruil heeft geleid tot een lager SV-loon. Er is vervolgens geen aanleiding het inkomen nog lager vast te stellen door dit bedrag ook op te tellen bij het niet in aanmerking te nemen uitbetaalde AVWB.
5.8.
Appellante heeft tot slot aangevoerd dat zij twijfel heeft gezaaid over de juistheid van de door de werkgever opgegeven gegevens, zoals die zijn verwerkt in de polisadministratie, en het daarom op de weg van het Uwv had gelegen om nader onderzoek te doen naar deze gegevens. Nu uit 5.4 tot en met 5.7 volgt dat het Uwv van de juiste bedragen is uitgegaan bij het vaststellen van het inkomen van appellante, behoeft deze grond geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

5.9.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd, voor zover aangevochten. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en M.E. Fortuin en J.H. Ermers als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) D.M.A. van de Geijn

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de Raad van 6 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1835 en 21 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:391.