Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:644

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
24/1932 WIA-T
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 DagloonbesluitArt. 17 DagloonbesluitArt. 13 Wet WIAArt. 16 Wet WIAArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herberekening WIA-dagloon wegens onbetaald verlof tijdens ingeroosterde uren

Appellante, werkzaam als kassamedewerkster op basis van een min-maxcontract, betwistte de vaststelling van haar WIA-dagloon door het UWV. Zij stelde dat zij in de referteperiode onbetaald verlof had genoten doordat zij op verzoek van haar werkgever tijdens ingeroosterde uren eerder naar huis ging zonder loonbetaling over die uren.

Het UWV en de rechtbank verwierpen dit standpunt, stellende dat er geen sprake was van verlof in de zin van het Dagloonbesluit omdat een overeenkomst over niet-gewerkte uren ontbrak en appellante als hulpkracht geen verlofdagen had. De rechtbank hoorde een getuige die bevestigde dat eerder naar huis gaan werd geregistreerd als niet gewerkt, maar niet als verlof.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de niet-gewerkte maar ingeroosterde uren op verzoek van de werkgever kwalificeren als een overeengekomen tijdvak zonder arbeid, dus als onbetaald verlof in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Dagloonbesluit. Het UWV heeft het begrip verlof onjuist uitgelegd en moet het dagloon opnieuw berekenen, waarbij het aantal verlofuren naar redelijke benadering moet worden vastgesteld.

De Raad draagt het UWV op binnen zes weken het gebrek in de besluiten van 24 november 2021 en 15 juli 2025 te herstellen en het dagloon opnieuw vast te stellen met inachtneming van deze overwegingen.

Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het WIA-dagloon opnieuw te berekenen met inachtneming van onbetaald verlof tijdens ingeroosterde uren.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1932 WIA-T, 25/1958 WIA-T
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 juni 2024, 22/77 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 20 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht het dagloon van de IVA-uitkering van appellante heeft vastgesteld op € 23,20. Volgens appellante moet haar dagloon op grond van artikel 17 van Pro het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen hoger worden vastgesteld, omdat het Uwv geen rekening heeft gehouden met de uren waarin zij op verzoek van de werkgever tijdens haar dienst eerder naar huis is gegaan. Deze uren moeten volgens appellante als onbetaald verlof worden aangemerkt. De Raad volgt het standpunt van appellante en komt tot het oordeel dat het Uwv het dagloon niet juist heeft vastgesteld. De Raad draagt het Uwv op het dagloon opnieuw te berekenen.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 november 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot M. Engbers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Y. Huisman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is op 10 oktober 2019 uitgevallen uit haar werkzaamheden als kassamedewerkster voor [naam] B.V. ((ex-)werkgever). Zij was werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor minimaal twee en maximaal twaalf uur per week.
1.2.
Na afloop van de wachttijd heeft het Uwv aan appellante bij besluit van 7 september 2021 met ingang van 7 oktober 2021 een IVA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij het dagloon – na indexatie – is vastgesteld op € 21,51 en het maandloon – na indexatie – op € 467,84. De referteperiode is vastgesteld op 7 oktober 2018 tot en met 6 oktober 2019 en het SV-loon in de referteperiode op € 5.398,64.
1.3.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het dagloon. Volgens appellante is het dagloon niet juist vastgesteld, omdat zij in de referteperiode onbetaald verlof heeft genoten. Zij is namelijk regelmatig op werkdagen op initiatief van de werkgever eerder naar huis gegaan en heeft over de niet-gewerkte uren geen betaling ontvangen. Deze uren moeten volgens haar worden aangemerkt als onbetaald verlof, omdat zij feitelijk minder uren heeft gewerkt dan het aantal uren dat met de werkgever was overeengekomen, zonder doorbetaling van loon. Als gevolg daarvan moet haar dagloon in haar visie op grond van artikel 17 van Pro het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) hoger worden vastgesteld.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 24 november 2021 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 september 2021 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat de contracturen die appellante niet heeft gewerkt in de referteperiode niet zijn aan te merken als onbetaald verlof. Het moet volgens het Uwv bij onbetaald verlof gaan om een op initiatief van de werknemer ruim van tevoren afgesproken tijdvak waarin geen of minder uren worden gewerkt dan is overeengekomen volgens het arbeidscontract. Appellante heeft geen gegevens overlegd waaruit volgt hoe vaak het voorkwam dat zij eerder naar huis ging en om hoeveel niet betaalde arbeidsuren het in totaal ging. Ook blijkt niet zonder meer uit de beschikbare gegevens dat de gestelde niet betaalde contracturen verband houden met uren die zij niet heeft gewerkt door op het voorstel van de werkgever in te gaan om aan het eind van de werkdag eerder naar huis te gaan. Omdat de werkgever heeft verklaard dat bij hem niet bekend is dat tijdens de referteperiode sprake is geweest van onbetaald verlof kan worden aangenomen dat het niet de intentie van de werkgever is geweest om deze niet gewerkte uren aan te merken als verlof.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft na de behandeling van de zaak op zitting de filiaalmanager van de supermarkt waar appellante werkte, [naam filiaalmanager] , als getuige op een getuigenverhoor gehoord om appellante in de gelegenheid te stellen te bewijzen dat tussen haar en de werkgever overeenstemming bestond over het niet volledig werken van de overeengekomen uren in ruil voor minder salaris.
2.2.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vermeld dat deze getuige heeft verklaard dat indien de omzet tegenvalt, wordt gevraagd of iemand van het personeel eerder naar huis wil gaan. Appellante was een hulpkracht, zodat, indien zij aangaf naar huis te willen gaan, die uren als ‘niet gewerkt’ werden geregistreerd. Dat is iets anders dan onbetaald verlof. Een hulpkracht kan nooit onbetaald verlof hebben, want een hulpkracht heeft geen verlofdagen. Die uren werden niet betaald. Uren die wel werden gewerkt, werden uitbetaald conform het ‘hulpkracht all-in loon’, inclusief vakantiegeld.
2.3.
Gelet op deze verklaring heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat tussen appellante en de ex-werkgever overeenstemming is bereikt over het niet volledig werken van de uren van het dienstverband in ruil voor minder salaris. Volgens de rechtbank is geen sprake van verlof in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder l, van het Dagloonbesluit.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat sprake is geweest van overeenstemming met de werkgever over het niet volledig werken van uren in ruil voor minder salaris. Daarmee is sprake van verlof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder l, van het Dagloonbesluit. Omdat sprake is geweest van onbetaald verlof in het refertejaar, moet toepassing worden gegeven aan artikel 17 van Pro het Dagloonbesluit.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Gewijzigde beslissing op bezwaar
4.1.
Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 15 juli 2025 (bestreden besluit 2) bestreden besluit 1 gewijzigd. Het bezwaar van appellante is alsnog gegrond verklaard. De reden hiervoor is de volgende. Omdat de loonaangifte door de ex-werkgever per vier weken plaatsvond, loopt het begin van de keten van aangiftetijdvakken van vier weken niet parallel met het begin van de referteperiode. Er is in de referteperiode sprake van een gebroken tijdvak van 7 oktober 2018 tot en met 31 oktober 2018. Dit tijdvak heeft achttien werkdagen. Er moet daarom worden uitgegaan van 242 in plaats van 261 dagloondagen. Het WIA-dagloon is hierdoor – na indexatie - vastgesteld op € 23,20 en het WIA-maandloon op € 504,60. Voor het overige is bestreden besluit 1 ongewijzigd gehandhaafd.
4.2.
Appellante heeft opgemerkt dat het aangepaste dagloon als gevolg van het lagere aantal dagloondagen correct is berekend. Appellante heeft haar standpunt over onbetaald verlof gehandhaafd.

Het oordeel van de Raad

5. Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv bestreden besluit 1 gewijzigd. Met bestreden besluit 2 is het Uwv niet volledig tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante. Op grond van de artikelen 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht heeft het hoger beroep dan ook mede betrekking op bestreden besluit 2.
5.1.
Het geschil gaat over de vraag of appellante in de referteperiode, die loopt van 7 oktober 2018 tot en met 6 oktober 2019, onbetaald verlof heeft genoten.
5.2.
In artikel 17 van Pro het Dagloonbesluit – voor zover hier relevant – is bepaald dat als de werknemer in een aangiftetijdvak in de referteperiode geen of minder loon heeft genoten vanwege verlof, als loon in aanmerking wordt genomen het loon dat is genoten in het laatste aangiftetijdvak bij diezelfde werkgever voorafgaande aan het verlof, waarin die omstandigheid zich niet heeft voorgedaan en waarin de werknemer het volledige aangiftetijdvak in dienstbetrekking tot de desbetreffende werkgever stond. Als dat tijdvak niet (volledig) binnen de referteperiode valt, wordt het loon in aanmerking genomen over het aangiftetijdvak direct na afloop van het verlof. Indien zowel voorafgaand als na afloop van het verlof geen vervangend aangiftetijdvak bestaat dat (volledig) in de referteperiode valt, wordt voor ieder in de referteperiode gelegen aangiftetijdvak waarin door de werknemer geen of minder loon is genoten in verband met verlof, bij de berekening van het dagloon het per aangiftetijdvak geldende overeengekomen loon in aanmerking genomen.
5.3.
Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Dagloonbesluit, zoals dat luidde ten tijde hier in geding, wordt onder verlof verstaan een tussen de werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen tijdvak, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht, met uitzondering van verlof als bedoeld in de artikelen 3:1 en 3:2 van de Wet arbeid en zorg (Wazo). Uit de toelichting bij dit artikel, voorheen opgenomen in artikel 1, eerste lid, en onder i, van het Dagloonbesluit, is hierover het volgende vermeld: “Onder verlof vallen verschillende vormen van overeengekomen onbetaald of (al dan niet volledig) betaald verlof. Dit kan verlof zijn in verband met diverse doeleinden. Onder dit verlof wordt niet gerekend het verlof op grond van de artikelen 3:1 en 3:2 van de Wazo (zwangerschaps- en bevallingsverlof, adoptieverlof en pleegzorgverlof). Calamiteitenverlof en ander kortdurend verlof evenals het kraamverlof vallen er wel onder. Andere voorbeelden van verlof in de zin van dit besluit zijn ouderschapsverlof, zorgverlof en BAPO-verlof (Bevordering Arbeidsparticipatie Ouderen)”. [1]
5.4.
Appellante was werkzaam op basis van een min-maxcontract van twee tot twaalf uur per week. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat zij iedere vier weken een rooster ontving waarin haar diensten werden vastgelegd. Met haar werkgever was afgesproken dat zij vast op maandag-, woensdag- en vrijdagochtend werd ingeroosterd voor in totaal acht tot negen uur per week.
5.5.
In artikel 4 van Pro de op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijnde cao Vereniging Grootwinkelbedrijven in Levensmiddelen, versies geldend van april 2017 tot 1 april 2019 en van 1 april 2019 tot en met 30 juni 2020, die in de referteperiode van toepassing waren, is onder meer bepaald dat bij het opstellen van roosters rekening wordt gehouden met de (structurele) afspraken die met de werknemer zijn gemaakt over de arbeidstijden en dat de roosters en arbeidstijden tijdig – minimaal één volle week voor aanvang – bekend worden gemaakt. Op grond hiervan concludeert de Raad dat met het vaststellen van het rooster door de werkgever de arbeidstijd voor appellante voor die roosterperiode werd vastgelegd. Appellante was verplicht om op de ingeroosterde uren te werken. Gelet hierop moeten deze uren worden aangemerkt als arbeidstijd als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Dagloonbesluit. Hieruit volgt dat wanneer appellante tijdens de ingeroosterde uren een verzoek van de werkgever om eerder te stoppen met werken accepteerde, deze niet-gewerkte maar wel ingeroosterde uren te kwalificeren zijn als een tussen haar en de werkgever overeengekomen tijdvak waarin voor een gedeelte van de arbeidstijd geen arbeid is verricht. Deze uren moeten dus als (onbetaald) verlof in de zin van het Dagloonbesluit worden aangemerkt.
5.6.
Het Uwv betwist niet dat tussen appellante en de werkgever de arbeidstijd in het rooster nader werd bepaald en ook niet dat appellante op verzoek van de werkgever soms eerder naar huis ging, maar is van mening dat geen sprake is van verlof, omdat een overeenkomst over de niet-gewerkte uren ontbreekt en bovendien het aantal gewerkte uren, ook als appellante eerder naar huis ging, steeds binnen de grenzen van het min-maxcontract bleef. Het Uwv heeft verwezen naar de uitspraken van de Raad van 7 september 2016, [2] 13 juli 2023 [3] en 1 november 2023. [4]
5.6.1.
Dit standpunt wordt niet gevolgd. Uit de omschrijving van het begrip ‘verlof’ als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j, van het Dagloonbesluit volgt dat daarvan sprake is als tussen werkgever en werknemer is overeengekomen dat de werknemer gedurende een bepaald tijdvak voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd geen arbeid verricht. In de uitspraak van 7 september 2016 wordt gesproken over een overeenkomst tussen werkgever en werknemer waarin de afspraken over de periode en de omvang van het niet verrichten van arbeid zijn neergelegd. Deze overeenkomst is echter niet aan een bepaalde vorm gebonden, zolang maar tussen werkgever en werknemer afspraken zijn gemaakt over het minder werken dan de eerder overeengekomen arbeidstijd. Deze afspraken kunnen ook op andere wijze dan in een afzonderlijk geschrift worden gemaakt, zoals per email [5] of, zoals in het geval van appellante, door mondeling in te stemmen met de vraag van de bedrijfsleider of zij eerder naar huis wilde en daarmee minder wilde werken dan de in het rooster vastgestelde arbeidstijd.
5.6.2.
De uitspraak van 13 juli 2023 betreft een andere situatie. In die zaak was sprake van een nulurencontract en was de werknemer niet verplicht om te werken als hij niet wilde. Er was geen vooraf overeengekomen arbeidstijd, zodat er evenmin sprake was van een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen tijdvak waarin de werknemer geen arbeid heeft verricht.
5.6.3.
In de uitspraak van 1 november 2023 was sprake van een all-in loon, waardoor het opnemen van verlof niet leidde tot een inkomensvermindering, zodat om die reden artikel 17 van Pro het Dagloonbesluit niet van toepassing was. Bij appellante leidt het eerder stoppen met werken tijdens ingeroosterde uren wél tot een inkomensvermindering, omdat zij over de niet-gewerkte uren niet betaald kreeg. Die uren zijn dus, zoals gezegd, aan te merken als onbetaald verlof.
5.7.
Uit 5.2 tot en met 5.6.3. volgt dat het Uwv een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip ‘verlof’ als bedoeld in het Dagloonbesluit. Dat betekent dat het Uwv het WIAdagloon opnieuw moet berekenen. De Raad heeft onvoldoende gegevens om dit zelf te doen. Indien onduidelijkheid bestaat over het precieze aantal verlofuren dan dient het Uwv dit aantal – eventueel in overleg met appellante – naar redelijke benadering vast te stellen.

Conclusies en gevolgen

Er bestaat aanleiding om met toepassing artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv op te dragen het gebrek in de bestreden besluiten te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in de besluiten van 24 november 2021 en 15 juli 2025 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en E. Dijt en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.
(getekend) A.I. van der Kris
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet WIA
Artikel 13
1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
[…]
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels gesteld.
4. Het maandloon bedraagt:
a. indien recht op een uitkering bestaat over een volledige kalendermaand: 21,75 maal het dagloon; of
b. indien niet over een volledige kalendermaand recht op een uitkering bestaat: de uitkomst van het aantal dagen in de betreffende kalendermaand waarover recht op een uitkering bestaat gedeeld door het totaal aantal dagen in de betreffende kalendermaand vermenigvuldigd met 21,75 maal het dagloon. Bij het bepalen van het aantal dagen worden de zaterdagen en zondagen buiten beschouwing gelaten.
Dagloonbesluit
Artikel 1
1. In dit besluit wordt verstaan onder:
[…]
j. [6] verlof: een tussen de werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen tijdvak, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht, met uitzondering van verlof als bedoeld in de artikelen 3:1 en 3:2 van de Wazo; […]
Artikel 13
1. Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.
[…]
Artikel 16
1. Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261.
2. In een gebroken aangiftetijdvak worden de factoren A, B en C berekend door het loon, de vakantiebijslag of de bedragen voor opbouw of opname van een arbeidsvoorwaardenbedrag in dat tijdvak te vermenigvuldigen met de breuk Y/Z waarbij:
Z staat voor het aantal dagloondagen in het gebroken aangiftetijdvak binnen de dienstbetrekking of de uitkeringsverhouding; en
Y staat voor het aantal dagloondagen van Z dat binnen de referteperiode valt. Indien Z nul is, wordt de uitkomst van deze berekening op nihil gesteld.
[…]
Artikel 17
1. Indien de werknemer in een aangiftetijdvak in de referteperiode geen loon of minder loon heeft genoten in verband met verlof of werkstaking of omdat hij de bedongen arbeid niet heeft verricht wegens ziekte wordt bij de berekening van het dagloon, bedoeld in artikel 16, eerste lid, als loon in dat aangiftetijdvak in aanmerking genomen het loon, genoten bij dezelfde werkgever in het laatste aan dat verlof, die werkstaking of die ziekte, voorafgaande en volledig in de referteperiode gelegen aangiftetijdvak, waarin die omstandigheden zich niet hebben voorgedaan en waarin de werknemer het volledige aangiftetijdvak in dienstbetrekking tot de desbetreffende werkgever stond.
2. Indien er geen voorafgaand aangiftetijdvak als bedoeld in het eerste lid is, wordt bij de berekening van het dagloon, bedoeld in artikel 5, eerste lid, het loon in aanmerking genomen uit dezelfde dienstbetrekking of uit de opvolgende dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 3, derde lid, over het aangiftetijdvak direct na afloop van dat verlof, die werkstaking of die ziekte, indien:
dat aangiftetijdvak geheel is gelegen in de referteperiode, en
de werknemer gedurende het volledige aangiftetijdvak in dienstbetrekking tot de desbetreffende werkgever stond.
3. Indien er geen aangiftetijdvak is als bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt voor ieder in de referteperiode gelegen aangiftetijdvak waarin door de werknemer geen of minder loon is genoten in verband met de in het eerste lid genoemde omstandigheden, bij de berekening van het dagloon het per aangiftetijdvak geldende overeengekomen loon in aanmerking genomen.

Voetnoten

1.Stb. 2013, 185, p.22.
2.CRvB 7 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3328.
3.CRvB 13 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1353.
4.CRvB 1 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2089.
5.Zie de uitspraak van de Raad van 23 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:390.
6.Ten tijde van belang. In 2022 is ‘j’ ‘l’ geworden.