ECLI:NL:CRVB:2026:649

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
24/1278 MAW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 7:12 AwbArt. 8:113 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toevoeging werkzaamheden aan functiebeschrijving Senior Medewerker Operationele Logistiek en schadevergoeding redelijke termijn

De zaak betreft een beroep van appellant tegen het besluit van de Staatssecretaris van Defensie over de functiebeschrijving van zijn functie als Senior Medewerker Operationele Logistiek (OPLOG) (N4.1). De Raad had eerder vastgesteld dat de functiebeschrijving niet volledig aansloot bij de feitelijk aan appellant opgedragen werkzaamheden en had de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris nam een nieuw besluit, maar appellant was het hier niet mee eens en stelde dat de functiebeschrijving nog steeds niet afdoende was. De Raad oordeelt dat appellant niet onzorgvuldig is betrokken bij de totstandkoming van de functiebeschrijving, maar dat bepaalde werkzaamheden alsnog moeten worden toegevoegd. Daarnaast wijst de Raad het verzoek van appellant af om de functiebeschrijving aan te passen met betrekking tot het 'vervangen' van de N-4 en de formulering van kennisvereisten.

Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure met meer dan 17 maanden is overschreden, waarvoor een schadevergoeding van €1.500,- wordt toegekend. Deze vergoeding wordt verdeeld tussen de staatssecretaris en de Staat. Ook worden proceskosten en griffierechten aan appellant vergoed. De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover de werkzaamheden niet zijn opgenomen en voorziet zelf in de zaak door de functiebeschrijving aan te vullen.

Uitkomst: De Raad voegt werkzaamheden toe aan de functiebeschrijving en kent een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1278 MAW
Uitspraak op het beroep tegen het besluit van de Staatssecretaris van Defensie
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 13 mei 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over de vraag of de feitelijk aan appellant opgedragen werkzaamheden afdoende zijn beschreven in de vastgestelde functiebeschrijving. De Raad bepaalt dat aan deze functiebeschrijving een aantal werkzaamheden moet worden toegevoegd. Verder is de Raad van oordeel dat appellant recht heeft op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

PROCESVERLOOP

Op 23 november 2023 [1] heeft de Raad in een eerdere procedure tussen partijen uitspraak gedaan. Daarbij heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 mei 2022 [2] vernietigd en het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 14 september 2021, waarbij de functiebeschrijving van de functie van appellant is gehandhaafd, gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Aan de minister, thans staatssecretaris, is de opdracht gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Daarbij is met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb [3] bepaald dat tegen de nieuwe beslissing slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
De staatssecretaris heeft op 5 april 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, aangevuld op 6 november 2024 (bestreden besluit).
Namens appellant heeft mr. D.C. Coppens, advocaat, beroep ingesteld tegen het bestreden
besluit en nadere stukken ingediend. De staatssecretaris heeft een verweerschrift en – desgevraagd – nadere stukken ingediend.
In verband met het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM [4] heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door [naam] . De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door C.E. Lamberti en C.W. van Gerwen-Van Maare.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Voor een overzicht van feiten verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 23 november 2023.
1.1.
In die uitspraak heeft de Raad vastgesteld dat de functiebeschrijving zag op de door de ná 2020 gewenste formatie met bijbehorende functiewaardering van de sectie OPLOG /N4 en dat de feitelijk opgedragen werkzaamheden zoals deze door appellant in de periode daaraan voorafgaand werden uitgevoerd in de functie van Senior Medewerker Operationele Logistiek (OPLOG) (N4.1) niet geheel en onverkort daarin waren opgenomen. De Raad heeft geoordeeld dat dit betekent dat deze werkzaamheden voor wat betreft die periode niet afdoende zijn beschreven in de functiebeschrijving en dat de beslissing op bezwaar van 14 september 2021 daarom niet in stand kan blijven. De Raad heeft de staatssecretaris de opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant.
Besluit ter uitvoering van de uitspraak van de Raad
2. Ter uitvoering van de uitspraak van 23 november 2023 heeft de staatssecretaris het bestreden besluit genomen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het niet eens met het bestreden besluit. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of het bestreden besluit in stand kan blijven aan de hand van wat appellant in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de in het bestreden besluit opgenomen functiebeschrijving onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat hij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de opmaak daarvan. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het dossier blijkt en ook door appellant is erkend dat er diverse malen, zowel schriftelijk als mondeling, met appellant contact is geweest over de (inhoud van de) functiebeschrijving. Verder had de staatssecretaris de beschikking over de door appellant samen met zijn toenmalige leidinggevende opgestelde functiebeschrijving, waarvan volgens de Raad in de uitspraak van 23 november 2023 bij de vaststelling van de feitelijk aan appellant opgedragen werkzaamheden moest worden uitgegaan. Een functie-interview met appellant of zijn (voormalige) leidinggevende was onder deze omstandigheden niet nodig. Van een onzorgvuldige besluitvorming is de Raad dan ook niet gebleken.
4.2.
Verder heeft appellant aangevoerd dat de staatssecretaris de feitelijk aan hem opgedragen werkzaamheden nog steeds niet afdoende heeft beschreven in de vastgestelde functiebeschrijving.
4.3.
De staatssecretaris heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat hij tegemoet wil komen aan het verzoek van appellant om in de functiebeschrijving het volgende op te nemen:
- onder rubriek 2 (Functieomgeving), punt 1 de door appellant voorgestelde tekst, die – kort gezegd – ziet op de beschrijving van de uitvoerende taken waarmee [naam onderdeel] belast is;
- onder rubriek 3 (Werkzaamheden), punt 1 de tekst 'het controleren van de door operationele eenheden ingeleverde/opgemaakte VGS documenten ten behoeve van oefeningen.' en
- onder rubriek 5 (Kennis, inzicht en vaardigheden), onder punt 11 de tekst: 'Engelse taalvaardigheid'.
Verder heeft de staatssecretaris ter zitting aangegeven dat hij ook tegemoet kan komen aan het verzoek van appellant om in de functiebeschrijving op te nemen:
- in rubriek 3 (Werkzaamheden), onder punt 1.f: de tekst ‘het gevraagd en ongevraagd adviseren van de N4 en de diverse [leidinggevenden] betreffende alle zaken met betrekking tot operationele logistiek’ en
- in rubriek 3 (Werkzaamheden), onder punt 2.f: de tekst ‘ en/of logistieke liaison ’.
4.4.
Met wat appellant zelf in de loop van de procedure heeft aangevoerd en heeft laten vallen zijn hiermee tussen partijen nog twee punten in geschil.
4.5.
Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de N-4 niet “waarneemt”, zoals het nu in de functiebeschrijving bij rubriek 3 staat, maar dat hij de N-4 vervangt. De functiebeschrijving moet op dit punt volgens hem aangepast worden. Deze grond slaagt niet. De Raad heeft in zijn uitspraak van 23 november 2023 bepaald dat voor de vaststelling van de feitelijk aan appellant opgedragen werkzaamheden in de periode van zijn plaatsing op de functie van Senior Medewerker OPLOG /N4.1 moet worden uitgegaan van de door appellant samen met zijn toenmalige leidinggevende beschreven werkzaamheden in de ter zitting door appellant overgelegde functiebeschrijving. In die functiebeschrijving is opgenomen: ‘neemt de N-4 waar tijdens diens afwezigheid’. Gelet hierop is de door appellant voorgestane aanpassing niet aan de orde.
4.6.
Appellant heeft verder aangevoerd dat in rubriek 5 (Kennis, inzicht en vaardigheden) een andere formulering moet volgen onder de punten 1 tot en met 3, omdat wat er nu is vermeld geen recht doet aan de kennis en kunde die nodig is om de werkzaamheden in rubriek 3 goed te kunnen uitvoeren. Volgens appellant moet hier tot uitdrukking worden gebracht dat zowel (algemeen) vaktechnische kennis als theoretische en praktische kennis vereist is. Ook deze grond slaagt niet. Wat appellant opgenomen wil zien, betreft niveaubepalende elementen. Dergelijke elementen in een functiebeschrijving hebben, net als een eisen- of niveau-indicatie, een louter indicatieve betekenis. [5] Wat appellant heeft aangevoerd kan daarmee niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit en hoeft om die reden geen verdere bespreking.
Schade wegens overschrijding van de redelijke termijn
5. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
5.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. [6]
5.2.
In een geval als dit, waarin een vernietiging van een beslissing op bezwaar, met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, leidt tot het opnieuw instellen van beroep, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar voor rekening van de Staat. Bij de beoordeling of de rechterlijke fase in de eerste ronde al dan niet te lang heeft geduurd wordt uitgegaan van een behandelingsduur van drie en een half jaar voor de rechtbank en de Raad tezamen. Bij de beoordeling of de Raad er al dan niet te lang over heeft gedaan in de fase van beroep tegen de nieuwe beslissing op het bezwaar geldt de voor beroep gangbare normatieve termijn van anderhalf jaar. [7]
5.3.
Vanaf de ontvangst door de staatssecretaris op 10 december 2020 van het bezwaarschrift tegen het besluit van 2 oktober 2020 tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en ruim vijf maanden verstreken. De redelijke termijn is dus met 17 maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 1.500,-
5.4.
Vervolgens moet worden bezien aan wie de overschrijding moet worden toegerekend. De rechterlijke fase in de eerste ronde heeft minder dan drie en een half jaar geduurd. De rechterlijke fase in de tweede ronde is aangevangen met de ontvangst van het beroepschrift op 17 mei 2024, en heeft daarmee (afgerond) twee jaar geduurd. Daarmee is de norm van anderhalf jaar met zes maanden overschreden. Gelet op de uitgangspunten in 5.1 en 5.2 betekent dat de Staat der Nederlanden zal worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 529,- (6/17 van € 1.500,-) en de staatssecretaris tot vergoeding van een bedrag van € 971,- (11/17 van € 1.500,-). [8]

Conclusie en gevolgen

5.5.
Gelet op dat wat onder 4.3 is overwogen, moet het beroep gegrond worden verklaard en moet het bestreden besluit, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, worden vernietigd, voor zover de werkzaamheden van appellant zoals genoemd in rechtsoverweging 4.3 niet in de functie beschrijving van Senior Medewerker Operationele Logistiek (OPLOG) (N4.1) zijn opgenomen. Gelet op hetgeen met partijen ter zitting is besproken, ziet de Raad uit het oogpunt van definitieve geschillenbeslechting aanleiding op de hierna aan te geven wijze zelf in de zaak te voorzien.
5.6.
Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. Appellant krijgt een schadevergoeding van € 1.500,-.
6. Appellant krijgt ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- voor verleende rechtsbijstand in de beroepsprocedure, te weten 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting (beide met wegingsfactor 1), met een waarde per punt van € 934,-. Deze kosten dienen door de staatssecretaris te worden vergoed. Voor het indienen van een verzoekschrift tot schadevergoeding worden de kosten begroot op € 467,- (1 punt voor het verzoek met wegingsfactor 0,5 en met een waarde per punt van € 934,-). Omdat de overschrijding aan zowel de staatssecretaris als aan de Staat wordt toegerekend, worden zij ieder voor de helft (€ 233,50) veroordeeld in deze kosten.
7. Appellant krijgt ook het in beroep betaalde griffierecht terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 5 april 2024, zoals aangevuld op 5 november 2024, voor zover de werkzaamheden van appellant zoals genoemd in rechtsoverweging 4.3 niet in de functiebeschrijving van Senior Medewerker Operationele Logistiek (OPLOG) (N4.1) zijn opgenomen;
  • bepaalt dat aan de functiebeschrijving wordt toegevoegd:
onder rubriek 2 (Functieomgeving), onder punt 1: de door appellant voorgestelde tekst, die ziet op de beschrijving van de uitvoerende taken waarmee [naam onderdeel] belast is,
  • onder rubriek 3 (Werkzaamheden), onder punt 1: 'het controleren van de door operationele eenheden ingeleverde/opgemaakte VGS documenten ten behoeve van oefeningen.',
  • onder rubriek 3 (Werkzaamheden), onder punt 1.f: ‘het gevraagd en ongevraagd adviseren van de N4 en de diverse [leidinggevenden] betreffende alle zaken met betrekking tot operationele logistiek’
  • onder rubriek 3 (Werkzaamheden), onder punt 2.f: 'en/of logistieke liaison' en
  • onder rubriek 5 (Kennis, inzicht en vaardigheden), onder punt 11: 'Engelse taalvaardigheid';
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
  • veroordeelt de staatssecretaris tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 971,-;
  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.101,50;
  • bepaalt dat de staatssecretaris aan appellant het in beroep betaalde griffierecht van € 51,- vergoedt;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 529,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) S. Ploum

Voetnoten

3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
5.Zie CRvB 1 juli 1999, ECLI:NL:CRVB:1999:AA8646 en CRvB 19 februari 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO4190.
6.Zie CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
7.Zie de uitspraak van de Raad van12 juni 2025, ECLI:Nl:CRVB:2025:902.
8.Zie de uitspraak van de Raad van 5 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1276, onder 5.3.