ECLI:NL:CRVB:2026:71

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
24/1765 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging van de ZW-uitkering van appellante ten onrechte in stand gelaten door het Uwv

In deze zaak gaat het om de beëindiging van de Ziektewet (ZW)-uitkering van appellante per 2 juni 2010 door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Appellante stelt dat de functies die ten grondslag lagen aan de eerdere WIA-beoordeling in 2007 niet langer passend zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het Uwv ten onrechte heeft geconcludeerd dat appellante op 2 juni 2010 geschikt is voor 'zijn arbeid', zoals bedoeld in artikel 19 van de ZW. De Raad volgt het standpunt van appellante en vernietigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam, die het besluit van het Uwv in stand had gelaten. De Raad oordeelt dat de ZW-uitkering ten onrechte is beëindigd en dat appellante recht heeft op nabetaling van de uitkering, inclusief wettelijke rente. Tevens wordt het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante, die in totaal € 6.469,- bedragen. De uitspraak is gedaan op 15 januari 2026.

Uitspraak

24/1765 ZW
Datum uitspraak: 15 januari 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2024, 23/1746 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 2 juni 2010 heeft beëindigd. Volgens appellante zijn de functies die ten grondslag lagen aan de eerdere WIA-beoordeling in 2007 per 2 juni 2010 niet langer passend. De Raad volgt dit standpunt van appellante en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering ten onrechte heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade (wettelijke rente). Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 januari 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kramer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.L.M. Dunselman. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 24/948 WIA. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. Het onderzoek ter zitting is geschorst.
Op 5 februari 2025 heeft het Uwv rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en nadere stukken overgelegd. Appellante heeft hierop gereageerd. Desgevraagd heeft het Uwv nadere stukken overgelegd.
De Raad heeft bij brief van 12 augustus 2025 nadere vragen aan het Uwv gesteld. Het Uwv heeft bij brief van 28 augustus 2025 hierop gereageerd.
De behandeling van de zaak is voortgezet op een zitting van 20 november 2025. Namens appellante is mr. Kramer verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Dunselman en – daartoe ambtshalve opgeroepen – arbeidsdeskundige bezwaar en beroep J. Emming. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 24/948 WIA. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst. In de zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante werkte als schoonmaakster voor gemiddeld dertien uur per week. Op 7 april 2005 heeft zij zich ziekgemeld. Per einde wachttijd heeft een verzekeringsarts van het Uwv de arbeidsbeperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 februari 2007. Een arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 0%, waarna het Uwv heeft geweigerd om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen. Vanaf 5 april 2007 ontving appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
1.2.
Appellante heeft zich per 22 juli 2008 ziekgemeld. Het Uwv heeft haar per 21 oktober 2008 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Na een hersteldmelding in september 2009 heeft appellante zich op 9 oktober 2009 opnieuw ziekgemeld, waarna het Uwv de ZW-uitkering per 9 oktober 2009 heeft voortgezet. Bij brief van 3 juni 2010 heeft het Uwv de controle voor de ZW beëindigd omdat appellante per 2 juni 2010 hersteld is.
1.3.
Op 18 november 2019 heeft appellante een WIA-uitkering aangevraagd per einde wachttijd in 2010. Bij besluit van 22 juni 2021 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen omdat appellante de wachttijd niet zou hebben vervuld. Bij besluit van 7 januari 2022 heeft het Uwv het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Hangende beroep heeft het Uwv bij besluit van 31 mei 2023 vastgesteld dat appellante per 9 oktober 2009 op arbeidskundige gronden meer dan 80% arbeidsongeschikt is en dat er niet of nauwelijks kans op herstel is. Het Uwv heeft een IVA-uitkering toegekend met terugwerkende kracht vanaf 18 november 2018. De rechtbank heeft bij uitspraak van 13 maart 2024 het beroep tegen het besluit van 7 januari 2022 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 31 mei 2023 ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld (zaaknummer 24/948 WIA).
1.4.
Appellante heeft daarnaast gesteld dat zij destijds geen besluit heeft ontvangen over de beëindiging van de ZW-uitkering en heeft op 4 februari 2022 het Uwv verzocht deze uitkering alsnog uit te betalen per 2 juni 2010. Bij besluit van 1 juli 2022 heeft het Uwv medegedeeld dat appellante per 1 juni 2010 (de Raad leest: 2 juni 2010) niet (meer) arbeidsongeschikt is in de zin van de ZW en de ZW-uitkering per die datum beëindigd. Bij beslissing op bezwaar van 6 februari 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 juli 2022 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft aangevoerd dat zij per 2 juni 2010 niet geschikt is te achten voor ‘zijn arbeid’ als bedoeld in artikel 19 van de ZW. Appellante stelt dat het niet juist is dat het Uwv haar per 2 juni 2010 geschikt acht voor de in het kader van de WIA-beoordeling in 2007 geduide functies. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 1 mei 2023 en het overzicht van de niet-eindgeselecteerde functies van 1 mei 2023 in het kader van de WIA-beoordeling per 9 oktober 2009, blijkt namelijk dat deze functies niet geschikt zijn omdat de fysieke belasting te groot is of omdat appellante niet voldoet aan de gestelde opleidingseisen en/of ervaringseisen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft toegelicht dat in de FML van 23 maart 2023, die ziet op de WIA-beoordeling per 9 oktober 2009, een aantal beperkingen is toegevoegd ten opzichte van de FML van 13 februari 2007 die gold bij de WIA-beoordeling in 2007. De toegenomen beperkingen zijn vergeleken met de belastbaarheid in de geduide functies zoals uit het Resultaat functiebeoordeling uit 2007 blijkt. Hieruit is gebleken dat appellante per 2 juni 2010, ondanks de toegenomen beperkingen, nog steeds geschikt is voor de per einde wachttijd in 2007 geduide functies. Zij is dus per 2 juni 2010 geschikt voor de maatstaf ‘zijn arbeid’ zoals deze is geformuleerd in de uitspraken van de Raad van 23 december 2022, [1] zodat de ZW-uitkering terecht is beëindigd.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering per 2 juni 2010 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 19 van de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
4.2.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIAbeoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022. [2] Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een weigering van een ZWuitkering niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Bij de toepassing van artikel 19 van de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én
2. op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de WIAbeoordeling vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
4.3.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een beëindiging van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van de betrokkene ten opzichte van de WIA-beoordeling op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies. De beoordeling van de geschiktheid voor de oorspronkelijke functies kan in eerste instantie beperkt blijven tot de medische geschiktheid voor die functies. Indien en voor zover de door een betrokkene aangevoerde bezwaar- of beroepsgronden daartoe aanleiding geven zal het Uwv in een voorkomend geval ook moeten beoordelen en motiveren dat de functies op de datum in geding ook in arbeidskundig opzicht geschikt zijn voor de betrokkene. Het gaat er dan om of de betrokkene op de datum in geding voldoet aan de opleidings- of ervaringseisen van de functie zoals die ten tijde van de WIA-beoordeling in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem waren opgenomen.
4.4.
Uit het voorgaande volgt dat wanneer – zoals bij appellante het geval is – sprake is van toegenomen beperkingen, het Uwv de medische geschiktheid van de eerder geduide functies opnieuw integraal dient te beoordelen. Het Uwv heeft met het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 februari 2025 ten onrechte alleen beoordeeld of de aanvullende beperkingen die per 2 juni 2010 voor appellante gelden ten opzichte van die uit de FML van 13 februari 2007, gevolgen hebben voor de geschiktheid van de eerder in 2007 geselecteerde functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft ter zitting verklaard dat zij een van de in 2007 geselecteerde functies niet geschikt acht in verband met twijfel over een – in 2007 door de arbeidsdeskundige nog wél akkoord bevonden – signalering. Dat die signalering ziet op een beperking die ongewijzigd is gebleven ten opzichte van de FML van 13 februari 2007, betekent niet dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met dit voortschrijdend inzicht over de eerder akkoord bevonden signalering, bij het beantwoorden van de vraag of de in 2007 geselecteerde functies per 2 juni 2010 voor appellante nog geschikt zijn, geen rekening heeft hoeven houden. Gezien de gronden van appellante had bovendien ook de arbeidskundige geschiktheid van de functies moeten worden beoordeeld.
4.5.
De Raad komt tot het oordeel dat het Uwv ten onrechte heeft geconcludeerd dat appellante op 2 juni 2010 geschikt is voor ‘zijn arbeid’, als bedoeld in artikel 19 van de ZW. Ter zitting heeft arbeidsdeskundige bezwaar en beroep Emming verklaard dat, alle beperkingen op 2 juni 2010 tezamen beziend, sprake is van een overschrijding van de fysieke belastbaarheid van appellante in de functies Monteur (SBC-code 267050) en Productiemedewerker (SBC-code 111180). Nu deze functies komen te vervallen, is met de resterende twee functies (SBC-code 264122 en SBC-code 272043) niet voldaan aan de voorwaarde dat van de oorspronkelijk geselecteerde functies ten minste drie geschikte functies met ieder ten minste drie arbeidsplaatsen geschikt moeten blijken. Daarmee kan de hersteldmelding per 2 juni 2010 geen stand houden. Het Uwv heeft ter zitting verklaard dat dit tot gevolg heeft dat de ZW-uitkering tot de maximumduur van 104 weken moet worden betaald.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het hoger beroep slaagt dus. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond en dit besluit wordt vernietigd. De Raad zal het besluit van 1 juli 2022 herroepen en in zoverre zijn uitspraak in de plaats stellen van het vernietigde besluit.
5.2.
Uit 5.1 vloeit voort dat appellante tevens recht heeft op vergoeding van wettelijke rente over de nabetaling van de ZW-uitkering. Voor de wijze waarop het Uwv de rente moet berekenen, wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012. [3]
Proceskosten en griffierecht
6. Appellante krijgt een vergoeding voor de kosten die zij in verband met de behandeling van de zaak heeft moeten maken. De kosten voor rechtsbijstand in bezwaar worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,-). De kosten voor rechtsbijstand in beroep worden begroot op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-). De kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep worden begroot op € 3.269,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 2 punten voor het bijwonen van beide zittingen en 0,5 punt voor een zienswijze, met een waarde per punt van € 934,-). De totale vergoeding voor kosten van rechtsbijstand bedraagt € 6.469,-. Ook dient het Uwv het door appellante betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep van in totaal € 188,- te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 februari 2023 gegrond en vernietigt dat besluit;
- herroept het besluit van 1 juli 2022 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 6 februari 2023;
- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van wettelijke rente zoals onder 5.2 weergegeven;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 6.469,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en E. Dijt, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
(getekend) C.F.E. van Olden-Smit
(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2658 en ECLI:NL:CRVB:2022:2672.
2.CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.
3.CRvB 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.