ECLI:NL:CRVB:2026:727
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 2015 een AOW-pensioen voor alleenstaanden. Na melding van een medebewoner die een kamer huurde, stelde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) een onderzoek in. Uit het huisbezoek en gesprekken bleek dat appellante en de medebewoner hun hoofdverblijf deelden en zorg voor elkaar droegen, wat leidde tot herziening van het pensioen naar de gehuwdennorm en terugvordering van te veel ontvangen bedragen.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat er geen gezamenlijke huishouding was, omdat het verblijf tijdelijk was en er sprake was van een zakelijke kostgangersrelatie. Ook stelde zij dat terugvordering onevenredig was vanwege haar leeftijd en financiële situatie. De Raad oordeelde dat het verblijf niet tijdelijk was, gezien de duur van bijna een jaar, het zwaartepunt van het persoonlijke leven en het feit dat persoonlijke bezittingen en post op het adres aanwezig waren.
Verder concludeerde de Raad dat er wel degelijk sprake was van wederzijdse zorg, zoals samen eten, boodschappen doen, klusjes en zorg bij ziekte, en dat de maandelijkse huurbetaling niet leidde tot een zakelijke relatie. Het beroep op dringende redenen om terugvordering te voorkomen werd verworpen, mede omdat appellante de mededelingsplicht had geschonden en de Svb geen verwijt treft. De terugvordering werd bevestigd en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De herziening en terugvordering van het AOW-pensioen worden bevestigd; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.