Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:727

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
23/2174 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 3 en 4 AOWArt. 15 lid 2 AOWArt. 17 lid 1 AOWArt. 17a lid 1 en 2 AOWArt. 24 lid 1 en 5 AOW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding

Appellante ontving sinds 2015 een AOW-pensioen voor alleenstaanden. Na melding van een medebewoner die een kamer huurde, stelde de Sociale Verzekeringsbank (Svb) een onderzoek in. Uit het huisbezoek en gesprekken bleek dat appellante en de medebewoner hun hoofdverblijf deelden en zorg voor elkaar droegen, wat leidde tot herziening van het pensioen naar de gehuwdennorm en terugvordering van te veel ontvangen bedragen.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat er geen gezamenlijke huishouding was, omdat het verblijf tijdelijk was en er sprake was van een zakelijke kostgangersrelatie. Ook stelde zij dat terugvordering onevenredig was vanwege haar leeftijd en financiële situatie. De Raad oordeelde dat het verblijf niet tijdelijk was, gezien de duur van bijna een jaar, het zwaartepunt van het persoonlijke leven en het feit dat persoonlijke bezittingen en post op het adres aanwezig waren.

Verder concludeerde de Raad dat er wel degelijk sprake was van wederzijdse zorg, zoals samen eten, boodschappen doen, klusjes en zorg bij ziekte, en dat de maandelijkse huurbetaling niet leidde tot een zakelijke relatie. Het beroep op dringende redenen om terugvordering te voorkomen werd verworpen, mede omdat appellante de mededelingsplicht had geschonden en de Svb geen verwijt treft. De terugvordering werd bevestigd en appellante kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De herziening en terugvordering van het AOW-pensioen worden bevestigd; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

23/2174 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 juni 2023, 22/4712 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 26 mei 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over een herziening en terugvordering van het AOW-pensioen van appellante. Daaraan heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met een ander. Appellante stelt dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde met die persoon omdat er sprake was van tijdelijk verblijf en een door zakelijke verhoudingen beheerste kostgangersrelatie. Daarnaast is volgens haar sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Zij krijgt daarin geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Selçuk, advocaat, hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft schriftelijke vragen gesteld aan de Svb en de Svb heeft hierop gereageerd.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft vervolgens aan partijen voorgehouden hoe hij het geschil tussen partijen voorshands ziet, dat hij daarover geen vragen heeft en hij een zitting niet nodig acht om het geschil te kunnen beslechten en partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontving sinds 18 november 2015 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Op 31 oktober 2021 heeft de Svb bericht ontvangen van de gemeente waar appellante woont dat zich op 16 oktober 2021 een medebewoner heeft ingeschreven op het adres van appellante. Op 3 november 2021 heeft de Svb een formulier ‘Onderzoek woonsituatie’ naar appellante gestuurd en haar verzocht om informatie te geven over de samenstelling van haar huishouden.
1.3.
Met een vervolgens ingevuld formulier ‘Onderzoek woonsituatie’, ondertekend op 9 november 2021, heeft appellante bij de Svb gemeld dat de heer [naam] (X) tijdelijk bij haar is komen wonen, totdat hij een woning heeft gevonden. Daarbij heeft appellante een ongedateerde kopie van de huurovereenkomst van de huur van een kamer met medegebruik van keuken, woonkamer, douche, wc, tuin en berging met ingang van 1 november 2021 voor een bedrag van € 250,- inclusief een bedrag van € 25,- voor vergoeding van kosten voor gas, water en elektra en een handgeschreven kwitantie van 1 november 2021 van betaling van een bedrag van € 250,- overgelegd.
1.4.
Vervolgens hebben twee medewerkers van de Afdeling Handhaving van de Svb een vervolgonderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In het kader van het onderzoek heeft op 13 april 2022 een huisbezoek plaatsgevonden op het adres van appellante, hebben de twee medewerkers een gesprek gevoerd met appellante en X en is een checklist gezamenlijke huishouding (checklist) ingevuld die door appellante en X is ondertekend. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een rapportage van 19 april 2022 (handhavingsrapport).
1.5.
Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft de Svb met een besluit van 21 april 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 25 augustus 2022 (bestreden besluit), het AOW-pensioen van appellante vanaf november 2021 herzien naar de gehuwdennorm. De Svb heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met X. Ook heeft de Svb het over de periode van november 2021 tot en met april 2022 teveel betaalde AOW-pensioen tot een bedrag van € 2.486,26 van appellante teruggevorderd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Er is volgens haar geen sprake van het voeren van een gezamenlijke huishouding met X. Zij heeft in hoger beroep aangevoerd dat X geen hoofdverblijf in haar woning had, maar daar slechts tijdelijk verbleef. Er is ook niet voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Er was namelijk sprake van een zakelijke kostgangersrelatie. Uit de bankafschriften blijkt dat X sinds november 2021 maandelijks huur heeft overgemaakt naar appellante. X woonde tijdelijk bij appellante omdat hij geen woonruimte kon vinden. X heeft sinds 5 oktober 2022 een eigen woning, dit toont aan dat de verklaring van appellante klopt en dat zij alleen commercieel gezien onderdak heeft geboden in een periode van nood. Er is ook geen sprake van financiële verstrengeling of wederzijdse zorg. Verder raakt de terugvordering appellante onevenredig op haar oude leeftijd. Zij heeft niet de middelen om het bedrag terug te betalen. Appellante heeft een kennis in nood onderdak geboden en wordt hiervoor gestraft.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de herziening en terugvordering van het AOW-pensioen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 1 november 2021, de datum met ingang waarvan het AOW-pensioen is herzien, tot en met 21 april 2022, de datum van het besluit tot herziening en terugvordering van het AOW-pensioen.
Gezamenlijke huishouding
4.2.
De vraag of iemand een gezamenlijke huishouding voert, moet worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. De omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn daarbij niet van belang.
4.3.
Van een gezamenlijke huishouding is sprake als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4.4.
Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
4.4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat X in de te beoordelen periode feitelijk verbleef in de woning van appellante en zijn zwaartepunt van het persoonlijke leven daar had. Ook is niet in geschil dat zij dit niet uit zichzelf aan de Svb heeft gemeld. De eerste vraag die voorligt is of X zijn hoofdverblijf niet in de woning van appellante had, omdat het verblijf slechts van tijdelijke aard was. Dat is niet het geval en daartoe wordt als volgt overwogen.
4.4.2.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever het criterium ‘duurzaam’ bewust niet heeft opgenomen in de begripsomschrijving van de gezamenlijke huishouding. Toch speelt de duur van het feitelijk verblijf wel een rol bij de beoordeling van de vraag of een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt namelijk dat een kortdurend verblijf in de woning van een ander niet automatisch betekent dat er een gezamenlijke huishouding is. Daarvoor moeten beiden hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Bij tijdelijk verblijf is dat niet zo.
4.4.3.
De vraag of een verblijf in dezelfde woning kortdurend of tijdelijk is, moet ook worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De duur van het verblijf is één van de omstandigheden waaruit het hoofdverblijf kan worden afgeleid. Andere concrete feiten en omstandigheden waaruit dat kan worden afgeleid, zijn de verplaatsing van persoonlijke bezittingen naar en het ontvangen van post op het adres van de woning waar betrokkenen gezamenlijk verblijven. Dit volgt uit eerdere rechtspraak. [1]
4.4.4.
Niet in geschil is dat X na het verbreken van zijn relatie met zijn ex-partner en het om die reden moeten verlaten van zijn vorige woning vanaf 18 oktober 2021 tot 5 oktober 2022, een periode van bijna een jaar, bij appellante heeft verbleven. Ook is niet in geschil dat er op de einddatum van de te beoordelen periode nog geen zicht was op wanneer X een andere woning zou betrekken. Niet gebleken is dat er op enig moment sprake is geweest van een mogelijke terugkeer van X naar zijn vorige woning. Tijdens het gesprek op 13 april 2022 heeft X verklaard dat hij bij appellante woont totdat hij een eigen woning krijgt toegewezen, maar niet zeker wist of hij bij de woonstichting al als woningzoekende stond ingeschreven. Daarnaast heeft X tijdens het huisbezoek verklaard dat er persoonlijke spullen en administratie van hem in de woning van appellante liggen en dat hij daar ook een eigen vaste plek voor heeft. Verder stond X ingeschreven op het adres van appellante en ontving daar ook zijn post. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat het verblijf in de woning van appellante van tijdelijke aard was. Hieruit volgt dat X en appellante in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. Daarmee is aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding voldaan.
4.5.
Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan deze wederzijdse zorg blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. Als er weinig of geen financiële verstrengeling is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Daarbij moeten alle gebleken, niet van subjectieve aard zijnde feiten en omstandigheden, worden betrokken.
4.5.1.
De Raad is op grond van de gedingstukken, waaronder het verslag van het gesprek op 13 april 2022, van oordeel dat, anders dan appellante heeft aangevoerd, in de te beoordelen periode sprake was van wederzijdse zorg tussen appellante en X. Hierbij zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. Zo blijkt uit het verslag en de checklist dat onder meer is verklaard dat appellante en X samen eten en daarna samen afwassen. Ook blijkt daaruit dat appellante en X samen boodschappen doen met de auto van X. Die boodschappen worden door appellante betaald en door X wordt voor een deel daaraan bijgedragen. Daarnaast kookt X meestal en verzorgt hij de tuin. Ook doet X klusjes, zoals de gang behangen en het plafond witten. Appellante maakt de kamer van X schoon en verzorgt de was en strijk van beiden. Ook is verklaard dat appellante en X in geval van ziekte voor elkaar zullen gaan zorgen en elkaar dan eten en drinken zullen brengen. Als appellante niet thuis is, geeft X de kat van appellante te eten. X mag gratis gebruik maken van de internetaansluiting en de duurzame gebruiksgoederen van appellante.
4.5.2.
Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in de te beoordelen periode een zakelijke kostgangersrelatie tussen haar en X was waardoor toch niet geoordeeld kan worden dat sprake was van wederzijdse zorg en dus ook gezamenlijke huishouding. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat tussen appellante en X sprake was van een voor een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en een mate van zorg voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie te boven gingen. Aan de huurovereenkomst kan ook niet de waarde worden gehecht die appellante daaraan toe kent. De overeenkomst is niet gedateerd en daarin staan geen afspraken over de prestaties die over en weer werden verleend zoals voor elkaar koken, wassen, klusjes en boodschappen doen. [2] Het enkele gestelde feit dat X aan appellante maandelijks een bedrag van € 250,- en periodiek een bijdrage aan de boodschappen betaalde doet daar niet aan af en kan niet leiden tot de conclusie dat sprake was van een zakelijke kostgangersrelatie. De bijdrage die X aan appellante levert moet in het licht van de overige feiten van dit geval worden gezien als een bijdrage van X in de kosten van de huishouding en niet als een zakelijke vergoeding voor het geboden onderdak en de verzorging.
Dringende redenen
4.6.
Het AOW-pensioen dat onverschuldigd is betaald, moet door de Svb op grond van de artikelen 17a en 24 van de AOW worden herzien en teruggevorderd. De Svb kan besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De Raad vat het betoog van appellante op als een beroep op deze dringende redenen. Dit betoog slaagt niet. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.7.
In een tussenuitspraak van 18 april 2024 [3] heeft de Raad zijn uitleg van het begrip “dringende redenen” verruimd. De Raad ziet de dringende redenen (voortaan) als een open norm waarbinnen het bestuursorgaan, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Verder heeft de Raad in deze uitspraak overwogen dat de dringende redenen bij de herziening en de terugvordering dezelfde inhoud hebben en dat beleidsregels om in geval van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van herziening en terugvordering af te zien, zijn aan te merken als binnenwettelijk beleid.
4.8.
Bij de herziening en intrekking van een uitkering ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht hanteert de Svb vanaf 8 maart 2024 nieuwe beleidsregels, die zijn opgenomen in SB1407. Dit nieuwe, soepelere beleid past de Svb toe in alle zaken waarin het besluit nog niet rechtens onaantastbaar is. Volgens de Svb sluit dit beleid goed aan bij de nieuwe uitleg van het begrip dringende reden. Dit geldt in het bijzonder voor de volgende punten van het beleid:
Bij een verlaging of intrekking van de uitkering houdt de Svb rekening met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De Svb maakt een onderscheid tussen drie situaties die in de uitvoeringspraktijk veel voorkomen: een schending van de mededelingsplicht, een onjuist besluit door een fout van de Svb en nabetaling door een andere instantie. Hierdoor houdt de Svb al vaak rekening met de oorzaak van de herziening.
Het beleid kent een evenredigheidstoets waarbij de Svb meeweegt in welke mate de Svb of betrokkene een verwijt kan worden gemaakt. Bij deze evenredigheidstoets weegt de Svb omstandigheden mee die in het beleid over de drie situaties nog niet aan bod zijn gekomen, zoals een trage besluitvorming door de Svb.
4.9.
De Svb heeft verder te kennen gegeven dat wordt gewerkt aan een aanpassing van het begrip ‘dringende reden’ in het terugvorderingsbeleid. Aanleiding voor deze aanpassing vormt de overweging van de Raad in de eerder genoemde tussenuitspraak dat de dringende redenen in de herzienings- en terugvorderingsbepaling eenzelfde inhoud heeft. Daarnaast zal in het nieuwe beleid ook worden verwerkt dat de Svb in uitzonderingsgevallen al in de terugvorderingsfase rekening houdt met ernstige financiële gevolgen van een terugvordering. In afwachting van de aanpassing van het beleid hanteert de Svb de vaste gedragslijn dat de dringende reden toets bij de terugvordering op dezelfde wijze wordt uitgevoerd als bij de herziening. [4]
4.10.
In zijn eerdere uitspraak [5] over de nieuwe beleidsregel SB1407 heeft de Raad geoordeeld dat de Svb met die beleidsregel in zijn algemeenheid een invulling aan de bepalingen over de dringende reden heeft gegeven die strookt met wat in de tussenuitspraak van 18 april 2024 is beoogd. Beleidsregel SB1407 voorziet erin dat tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig worden gewogen dat die afweging een toetsing aan het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel in het algemeen zal kunnen doorstaan. Daarnaast voorziet de beleidsregel in een structurele toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Bij die beoordeling is de mate waarin de betrokkene en de Svb een verwijt kan worden gemaakt van belang. Verder acht de Raad in het licht van de genoemde tussenuitspraak de vaste gedragslijn van de Svb bij de terugvordering juist. Dit geldt ook voor het in uitzonderingsgevallen in de terugvorderingsfase rekening houden met ernstige financiële gevolgen van een terugvordering.
4.11.
In dat wat appellante heeft aangevoerd, ziet de Raad geen dringende reden om geheel of gedeeltelijk van herziening of terugvordering af te zien en overweegt daartoe als volgt.
4.11.1.
Daarbij heeft de Svb voorop mogen stellen dat de herziening en terugvordering niet door toedoen van de Svb zijn ontstaan of opgelopen, maar door de schending van de mededelingsverplichting door appellante. Appellante heeft immers niet uit eigen beweging de inwoning van X gemeld. De Svb beschikte daardoor niet over de nodige feitelijke inlichtingen om de woon- en leefsituatie van appellante nader te onderzoeken en juridisch te kwalificeren als gezamenlijke huishouding. Van een verwijt aan de kant van de Svb, waardoor de terugvordering is opgelopen is geen sprake. Gesteld noch gebleken is dat de Svb na de melding van de gemeente en bij de besluitvorming onvoldoende adequaat en voortvarend heeft gehandeld.
4.11.2.
Met de niet gespecifieerde verwijzing naar haar leeftijd en de stelling dat zij niet de middelen heeft om het bedrag terug te betalen heeft appellante ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van herziening of terugvordering af te zien. Van belang is dat in het algemeen de financiële gevolgen van de herziening en terugvordering zich pas bij de invordering of verrekening voordoen en dat appellante bij de invordering als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet geniet. Overigens heeft appellante op 6 oktober 2023 de terugvordering in één keer terugbetaald.

Conclusie en gevolgen

4.12.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening en terugvordering in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal in tegenwoordigheid van A.H. HagendoornHuls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.

(getekend) E.C.E. Marechal

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene Ouderdomswet
Als gehuwd of als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
Artikel 1, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet
Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Artikel 17, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet
Het ouderdomspensioen wordt door de Sociale verzekeringsbank ingetrokken of herzien, wanneer degene, aan wie het is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde daarvoor niet of niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt.
Artikel 17a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet
Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen en terzake van weigering van ouderdomspensioen, herziet de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15, tweede lid, of 49, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen;
b. indien anderszins het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; (…).
Artikel 17a, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 24, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet
Het ouderdomspensioen dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17 onverschuldigd Pro is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank teruggevorderd van de pensioengerechtigde (…).
Artikel 24, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 49, van de Algemene Ouderdomswet
De pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, alsmede zijn wettelijke vertegenwoordiger of de instelling waaraan ingevolge artikel 20 ouderdomspensioen Pro wordt uitbetaald, zijn verplicht aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt betaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door de Sociale verzekeringsbank kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Beleidsregel SB1407 (Dringende reden bij intrekking of herziening)

De SVB herstelt een wijziging die gevolgen heeft voor betalingen die in het verleden zijn gedaan in beginsel met volledig terugwerkende kracht. Dit doet de SVB ook als er geen wijziging is opgetreden, maar bijvoorbeeld door een fout van de SVB de uitkering in het verleden verkeerd is vastgesteld. De SVB ziet geheel of gedeeltelijk af van verlaging of intrekking van de uitkering over het verleden, als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Verlaging of intrekking over perioden in het verleden
Als de SVB een uitkering verlaagt of intrekt over een periode in het verleden, houdt de SVB rekening met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De SVB heeft beleid ontwikkeld voor 3 situaties die veel voorkomen:
1. Betrokkene heeft de mededelingsplicht geschonden. De uitkering wordt dan verlaagd of ingetrokken met een terugwerkende kracht van maximaal 5 jaar. Als betrokkene grove schuld heeft aan het niet nakomen van de mededelingsplicht, is de terugwerkende kracht maximaal 10 jaar. In geval van opzet is de terugwerkende kracht maximaal 20 jaar.
2. Door een fout van de SVB is een onjuist besluit genomen. De uitkering wordt dan zonder terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken.
In geval van een ‘kenbaar evidente fout’ wordt de uitkering wel met een terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken. De mate van terugwerkende kracht is een percentage van de periode waarover de SVB te veel uitkering heeft betaald, namelijk:
- 25% en maximaal 5 jaar als betrokkene de fout uit eigen beweging meldt aan de SVB;
- 50% en maximaal 5 jaar als betrokkene heeft verzuimd de fout aan de SVB te melden;
- 75% en maximaal 10 jaar als betrokkene grove schuld heeft aan het niet melden van deze fout;
- 100% en maximaal 20 jaar als betrokkene met opzet de fout niet aan de SVB heeft gemeld.
Of sprake is van een ’kenbaar evidente fout’ beoordeelt de SVB aan de hand van de communicatie tussen de SVB en de individuele betrokkene. Daarnaast is van belang welk besluit betrokkene van de SVB mocht verwachten op grond van de door hem verstrekte informatie. De SVB verwacht wel van betrokkene dat hij de brieven van de SVB zorgvuldig leest, maar niet dat hij de inhoud van de brieven controleert aan de hand van de wet- en regelgeving, de beleidsregels en de website van de SVB.
3. Betrokkene ontvangt met terugwerkende kracht een nabetaling van een andere instantie. In dat geval wordt de uitkering met dezelfde terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken.
Evenredigheidstoets
Ook ziet de SVB geheel of gedeeltelijk af van de voorgenomen verlaging of intrekking als de bijzondere omstandigheden van het geval ertoe leiden dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. Bij deze beoordeling hecht de SVB belang aan:
- de mate waarin de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt; en
- de mate waarin de SVB een verwijt kan worden gemaakt.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3241.
2.Vergelijk de uitspraken van 15 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8351 en 23 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3156.
4.Zie ook de uitspraak van 16 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:436.
5.De uitspraak van 21 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2140.