ECLI:NL:CRVB:2026:730

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
24/1233 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WIA-uitkering naar 50,05% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de herziening van haar WIA-uitkering per 1 april 2019, waarbij het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld op 50,05%. Zij stelt dat zij meer medische beperkingen heeft dan door het UWV is aangenomen en dat zij de geselecteerde passende functies niet kan vervullen.

De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies passend zijn. De rechtbank baseerde zich op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, die geen aanleiding zagen voor een urenbeperking en de beperkingen passend achtten.

In hoger beroep handhaaft appellante haar standpunten, onder meer met verwijzing naar een rapport van een bedrijfsarts en het fenomeen interdoktervariatie. De Centrale Raad van Beroep volgt echter het oordeel van de rechtbank en het UWV dat het medisch en arbeidskundig onderzoek voldoende zorgvuldig en gemotiveerd is. De Raad wijst erop dat de medische beoordeling aansluit bij de situatie rond de datum in geding en dat latere verslechteringen niet relevant zijn voor die datum.

De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 50,05% blijft daarmee in stand. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is herzien naar 50,05% arbeidsongeschiktheid per 1 april 2019.

Uitspraak

24/1233 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 april 2024, 23/3464 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 2 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering per 1 april 2019 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 50,05%. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft herzien.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.G.M. de Groot, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Mr. L.N. Huizenga, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Groot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y. Huisman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als docent voor 22 uur per week. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 1 september 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 1 juni 2010 in aanmerking gebracht voor een WGAloonaanvullingsuitkering, waarbij appellante onverminderd volledig arbeidsongeschikt is geacht.
1.2.
Bij een herbeoordeling heeft het Uwv vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 15 december 2016 is gewijzigd in 56,94%. Bij besluit van 7 juli 2017 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 15 december 2016 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 15 december 2016 vastgesteld op 61,71%. Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld.
1.3.
Op 11 oktober 2018 heeft appellante een verslechtering van haar gezondheid doorgegeven aan het Uwv per 30 juni 2018. Er is sprake van malaise, pijnklachten, misselijkheid en toegenomen vermoeidheid. Na onderzoek door een arts, die een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) heeft opgesteld, heeft een arbeidsdeskundige appellante op grond van geschiktheid voor passende functies per datum medisch onderzoek, 26 november 2018, voor 49,94% arbeidsongeschikt bevonden. Bij besluit van 1 februari 2019 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellante met ingang van 1 april 2019 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 49,94%. Hiertegen heeft appellante bezwaar gemaakt. Op verzoek van appellante heeft het Uwv dit bezwaar aangehouden in afwachting van de uitspraak van de rechtbank op het beroep tegen het besluit van 7 juli 2017.
1.4.
In de procedure tegen het besluit van 7 juli 2017 heeft de rechtbank verzekeringsarts drs. J.M. Fokke als deskundige benoemd. Deze deskundige heeft in zijn rapport van 15 maart 2019 per 15 december 2016 voor appellante aanvullende beperkingen op de aspecten 1.9.6 (specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren), en 6.1.1 en 6.1.2 (beperkt voor avond- en nachtdiensten) aan de orde geacht
.De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML op 11 juni 2019 overeenkomstig de bevindingen van de deskundige aangepast. De door de rechtbank opvolgend ingeschakelde deskundige, verzekeringsarts R. Hollander, heeft op 9 april 2020 desgevraagd de conclusies van Fokke onderschreven. Bij uitspraak van 29 maart 2022 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 7 juli 2017 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
1.5.
In bezwaar tegen het besluit van 1 februari 2019 heeft appellante het standpunt ingenomen dat een urenbeperking aan de orde is onder verwijzing naar een rapport van bedrijfsarts Th.F. Senden van 12 januari 2023.
1.6.
Bij besluit van 1 mei 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de rapporten van Fokke en Hollander en de door appellante in bezwaar overgelegde medische informatie in zijn beoordeling betrokken. De mate van arbeidsongeschiktheid is in verband met een aanpassing van de FML op 7 maart 2023 en het vervallen van een tweetal functies gewijzigd in 50,05%.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft het medisch onderzoek zorgvuldig geacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich volgens de rechtbank terecht mede gebaseerd op het rapport van Fokke dat tot stand is gekomen rond de datum in geding. Fokke heeft in zijn rapport van 15 maart 2019 naast de situatie per december 2016 ook de waarnemingen tijdens zijn onderzoek beschreven. Deze zijn voor de beoordeling per 1 april 2019 van waarde. Fokke komt tot de conclusie dat sprake is van een chronisch pijn- en vermoeidheidssyndroom bij een in het verleden doorgemaakte infectie met onder meer het Epstein-Barr virus. Wat betreft de stelling van appellante dat zij de ziekte van Lyme heeft doorgemaakt verwijst de rechtbank naar het rapport van Fokke, die melding maakt van de visie van de behandelend arts die in 2018 schreef dat de relatie tussen de klachten van appellante en een mogelijk doorgemaakte Borrelia-infectie onduidelijk is. Gelet op het redelijk gevulde dagverhaal van appellante en omdat geen sprake is van een onderliggende medische aandoening die gepaard gaat met verminderd energetisch functioneren, ziet Fokke geen aanleiding voor een urenbeperking.
2.2.
De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat geen aanleiding bestaat voor een urenbeperking. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat het rapport van Senden dateert van jaren na de datum in geding. Verder heeft appellante tussen de datum in geding en het onderzoek van Senden een Covid-19 infectie doorgemaakt en is sprake geweest van andere aandoeningen, waaronder een langzaam progressieve artrose. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat geen aanleiding bestaat de onderzoeksbevindingen van Senden te volgen. Verder blijkt uit de brief van Senden niet dat hij appellante fysiek heeft onderzocht en kan in diens brief niet gelezen worden dat bij appellante op de datum in geding sprake was van post-exertionele malaise (PEM). Ten slotte kan uit de brief niet worden afgeleid dat rond de datum in geding voor appellante een urenbeperking had moeten gelden. Wat betreft de diagnose fibromyalgie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat er diverse beperkingen zijn aangenomen en daarmee problemen als gevolg van het symptomencomplex voldoende zijn meegewogen. Dat geldt ook voor het chronisch vermoeidheidssyndroom.
2.3.
Verder heeft de rechtbank geen aanleiding gezien de voorgehouden functies niet passend te achten. De stelling van appellante dat zij in verband met klachten van artrose een brace draagt en rugklachten heeft, waardoor zij niet in staat is de functies te vervullen wordt niet gevolgd. Daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat met de genoemde klachten rekening is gehouden in de FML. De omstandigheid dat appellante een brace draagt maakt de beoordeling niet anders.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft haar standpunt herhaald dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen en verwijst in dat kader naar het rapport van Senden. Appellante heeft aangevoerd dat vanwege het fenomeen interdoktervariatie het bij moeilijk te objectiveren aandoeningen belangrijk is om te weten welke benadering een rapporteur aanhangt. Onduidelijk is of Fokke de aandoening PEM bij zijn beoordeling heeft betrokken. De verzekeringsarts heeft bij onderzoek in 2018 opgemerkt dat appellante een vermoeide indruk maakt. De klachtenpresentatie is coherent geacht. De behandelend neuroloog heeft op 4 juni 2018 vastgesteld dat de moeheid van appellante bij inspanning toeneemt. De artsen van het Uwv, en ook de door de rechtbank ingeschakelde deskundigen Fokke en Hollander, hebben ten onrechte geen contact opgenomen met de behandelend artsen. Door appellante is gewezen op een verschil in het dagverhaal in 2018 ten opzichte van het dagverhaal in 2016. Verder is door het Uwv onvoldoende gemotiveerd waarom de geselecteerde functies passend zijn.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de herziening van de WIA-uitkering van appellante in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.2.
Appellante heeft in hoger beroep de gronden van beroep gehandhaafd. De rechtbank heeft deze gronden inzichtelijk besproken. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid worden gevolgd. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
Medische beoordeling
4.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Het enkele feit dat daarbij geen gebruik is gemaakt van de in de tussenuitspraken van de Raad van 17 juli 2025 [1] genoemde vragenlijsten en er ook geen inspanningstest is afgenomen, maakt het onderzoek niet onzorgvuldig. Dit geldt ook voor het onderzoek van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Fokke, die evenmin gebruik heeft gemaakt van vragenlijsten of een inspanningsonderzoek heeft laten verrichten. Het is aan een deskundige om te bepalen op welke wijze hij de hem voorgelegde beoordeling doet.
4.4.
Ook inhoudelijk bestaat er geen aanleiding de beoordeling door het Uwv onjuist te achten. Het Uwv heeft voor zijn standpunt over de voor appellante op 1 april 2019 geldende beperkingen terecht aangesloten bij de bevindingen van Fokke en Hollander in de procedure tegen het besluit van 7 juli 2017. Fokke rapporteerde weliswaar aan de rechtbank over de voor appellante geldende beperkingen per 15 december 2016, maar hij heeft in zijn rapport daarnaast zijn (actuele) bevindingen uit het op 15 maart 2019 verrichte onderzoek beschreven. Aangezien dit medisch onderzoek dicht bij de datum in geding in de onderhavige procedure (1 april 2019) ligt, bevat dit onderzoek – als ook de daaruit door Fokke getrokken conclusies – relevante informatie voor de medische beoordeling per 1 april 2019. De opvolgend onafhankelijk deskundige Hollander heeft daarbij kennis genomen van de bevindingen van Fokke en heeft diens conclusies – na kennisneming van de door appellante bij het onderzoek van Fokke geplaatste kanttekeningen – ongewijzigd overgenomen.
4.5.
Door Fokke en Hollander is inzichtelijk beargumenteerd dat en waarom de bevindingen uit het medisch onderzoek van 15 maart 2019 niet noodzaken tot het aannemen van een urenbeperking voor appellante. Door de deskundige Hollander is daarbij gewezen op het dag- en (met name ook het) weekverhaal van appellante, waaruit de noodzaak tot recuperatie na inspanning volgens hem niet blijkt en op het feit dat de diagnose PEM op de in geding zijnde datum door geen van de behandelaars was gesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft terecht bij die bevindingen aangesloten. De verwijzing naar de andersluidende opvatting van Senden, die op 12 januari 2023 rapporteerde naar aanleiding van een verwijzing van de huisarts, kan hier niet aan af doen. Bij appellante was toen sprake van een toename van beperkingen na een Covid-besmetting in maart 2022, in verband waarmee een PEM-check van de Vermoeidheidkliniek d.d. 28 oktober 2024 een indicatie voor PEM aangaf. Op grond van die toegenomen beperkingen is door het Uwv inmiddels een urenbeperking aangenomen, hetgeen heeft geleid tot een toekenning van een IVAuitkering per 1 mei 2022.
4.6.
De verwijzing van appellante ten slotte naar algemene literatuur over het chronisch vermoeidheidssyndroom en het chronisch pijnsyndroom doet aan het voorgaande niet af. Dit betreft algemene informatie en geeft geen informatie die is toegesneden op de individuele situatie van appellante.
Arbeidskundige beoordeling
4.7.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante. Het betoog dat het Uwv ten onrechte een eerder verworpen functie aan de schatting ten grondslag heeft gelegd, slaagt niet. Het Uwv heeft de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 1 april 2019 gebaseerd op de functies van Productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), Receptionist (SBCcode 315120) en Machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122). Uit het arbeidskundig rapport van 16 maart 2023 blijkt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een tweetal door de arbeidsdeskundige geselecteerde (deel)functies heeft laten vervallen, waaronder de deelfunctie van Receptionist met functienummer 9241.0006.0005 die valt onder SBC-code 315120, dit in verband met de in die (deel)functie voorkomende storingen en onderbrekingen. De deelfunctie van Medewerker receptie met functienummer 9712.0003.011 binnen SBC-code 315120 is geschikt bevonden omdat daarin geen storingen en onderbrekingen voorkomen. Anders dan appellante stelt, heeft het Uwv aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling dus niet een eerder verworpen functie ten grondslag gelegd.
4.8.
De stelling van appellante dat zij door het gebruik van een brace niet in staat is de haar voorgehouden functies te vervullen slaagt niet. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de handchirurg appellante in juli 2021 heeft onderzocht en haar toen een brace heeft voorgeschreven. Dat is twee jaar na de datum in geding. Appellante heeft bij het onderzoek door Fokke in 2019 melding gemaakt van handklachten en het feit dat zij op dat moment een brace droeg om haar rechterpols. Fokke heeft de armen en handen van appellante onderzocht, zijn bevindingen dienaangaande in zijn rapport neergelegd en heeft geen aanleiding gezien op dit punt meer of andere beperkingen aan te nemen. Bij het selecteren van de functies heeft het Uwv met deze in de FML neergelegde beperkingen rekening gehouden. Geen reden bestaat om appellante wegens haar handklachten niet in staat te achten de voorgehouden functies te vervullen.
4.9.
Ook overigens geeft wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

4.10.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 50,05% per 1 april 2019 in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.CRvB 17 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:990.