ECLI:NL:CRVB:2026:745
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek maatmaninkomen WAZ-uitkering terecht
Appellant, een voormalig zelfstandig transportondernemer, kreeg in 2002 een WAZ-uitkering toegekend met een maatmaninkomen vastgesteld op basis van een arbeidsdeskundig rapport. Vanaf 2010 verrichtte hij werkzaamheden naast de uitkering, wat leidde tot terugvorderingen en een boete vanwege niet doorgegeven inkomsten. Appellant voerde aan dat het maatmaninkomen onjuist was berekend, met name vanwege een verkeerde toepassing van het rijtijdenbesluit.
Het UWV wees het verzoek tot herziening af, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigden. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat het oorspronkelijke besluit niet evident onredelijk of onmiskenbaar onjuist was. Appellant stelde in hoger beroep dat het maatmaninkomen onjuist was vastgesteld omdat de arbeidsdeskundige ten onrechte uitging van 60 werkuren per week, terwijl het rijtijdenbesluit een maximum van 90 uur per twee weken voorschrijft.
De Raad volgde de rechtbank en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, die oordeelde dat een urenomvang van 60 uur per week niet ongebruikelijk is in de transportbranche en dat appellant geen nieuwe informatie had aangeleverd om het maatmaninkomen aan te passen. De Raad concludeerde dat het verzoek om herziening terecht was afgewezen en dat het oorspronkelijke besluit niet onmiskenbaar onjuist was. Het hoger beroep werd afgewezen en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het maatmaninkomen voor de WAZ-uitkering wordt terecht afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.