ECLI:NL:CRVB:2026:745

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
25/522 WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek maatmaninkomen WAZ-uitkering terecht

Appellant, een voormalig zelfstandig transportondernemer, kreeg in 2002 een WAZ-uitkering toegekend met een maatmaninkomen vastgesteld op basis van een arbeidsdeskundig rapport. Vanaf 2010 verrichtte hij werkzaamheden naast de uitkering, wat leidde tot terugvorderingen en een boete vanwege niet doorgegeven inkomsten. Appellant voerde aan dat het maatmaninkomen onjuist was berekend, met name vanwege een verkeerde toepassing van het rijtijdenbesluit.

Het UWV wees het verzoek tot herziening af, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigden. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat het oorspronkelijke besluit niet evident onredelijk of onmiskenbaar onjuist was. Appellant stelde in hoger beroep dat het maatmaninkomen onjuist was vastgesteld omdat de arbeidsdeskundige ten onrechte uitging van 60 werkuren per week, terwijl het rijtijdenbesluit een maximum van 90 uur per twee weken voorschrijft.

De Raad volgde de rechtbank en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, die oordeelde dat een urenomvang van 60 uur per week niet ongebruikelijk is in de transportbranche en dat appellant geen nieuwe informatie had aangeleverd om het maatmaninkomen aan te passen. De Raad concludeerde dat het verzoek om herziening terecht was afgewezen en dat het oorspronkelijke besluit niet onmiskenbaar onjuist was. Het hoger beroep werd afgewezen en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het maatmaninkomen voor de WAZ-uitkering wordt terecht afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 februari 2025, 23/3586 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 3 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv het verzoek van appellant om de vaststelling van het maatmaninkomen voor zijn WAZ-uitkering te herzien terecht heeft afgewezen. Volgens appellant heeft het Uwv het maatmaninkomen vanaf de toekenning van de WAZuitkering in 2002 onjuist berekend. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het verzoek om herziening terecht heeft afgewezen.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 22 april 2026. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is werkzaam geweest als zelfstandig transportondernemer. Op 23 juni 2001 is hij voor dit werk uitgevallen wegens ziekte. Het Uwv heeft met een besluit van 4 juli 2002 met ingang van 22 juni 2002 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) aan appellant toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is hierbij vastgesteld op 80 tot 100%.
1.2.
Vanaf 2010 heeft appellant naast zijn WAZ-uitkering werkzaamheden verricht. Dit heeft geleid tot verschillende besluiten van het Uwv, waarin is bepaald dat de WAZuitkering tot een lager bedrag had moeten worden uitbetaald en een bedrag van in totaal ruim € 45.000,- aan teveel betaalde WAZ-uitkering van appellant is teruggevorderd. Ook is een boete aan appellant opgelegd omdat hij zijn inkomsten niet aan het Uwv zou hebben doorgegeven. Appellant heeft bezwaar- en beroepsprocedures gevoerd over deze besluiten en ook over besluiten die zien op de invordering van de teveel betaalde uitkering en de boete. In deze procedures heeft appellant onder andere aangevoerd dat de terugvorderingen ten onrechte zijn ontstaan, omdat daarbij is uitgegaan van een onjuist maatmaninkomen. De procedures hebben niet geleid tot wijzigingen ten aanzien van de (hoogte van de) terugvorderingen.
1.3.
Op 26 januari 2023 heeft appellant een brief geschreven aan het Uwv waarin hij – kort samengevat – naar voren heeft gebracht dat zijn maatmaninkomen vanaf de toekenning van de WAZ-uitkering in 2002 onjuist is berekend. Volgens appellant heeft het Uwv geen juiste toepassing gegeven aan het rijtijdenbesluit. [1] Met een besluit van 8 augustus 2023 heeft het Uwv, onder verwijzing naar een rapport van een arbeidsdeskundige van 14 juli 2023, bepaald dat de maatman en het maatmaninkomen ongewijzigd blijven. Er is volgens het Uwv geen reden om terug te komen van de beoordeling zoals die in 2002 is gedaan.
1.4.
Bij besluit van 12 december 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 26 oktober 2023 ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv op het verzoek van appellant heeft beslist met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als dat zo is, kan de bestuursrechter toch aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [2] De rechtbank is vervolgens tot het oordeel gekomen dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het rijtijdenbesluit waar appellant een beroep op doet was ook in 2002 al van toepassing en de arbeidsdeskundige heeft dit destijds nadrukkelijk in zijn beoordeling betrokken. Het valt daarom niet in te zien dat dit een nieuw feit is. Wat appellant heeft aangevoerd, heeft ook niet geleid tot het oordeel dat het besluit om het herzieningsverzoek af te wijzen evident onredelijk is. Het is de rechtbank namelijk niet gebleken dat het besluit van 4 juli 2002 en de daaraan ten grondslag liggende berekening van het maatmaninkomen, evident onjuist zijn.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft in hoger beroep benadrukt dat zijn maatmaninkomen al vanaf de toekenning van de WAZuitkering in 2002 onjuist is berekend. Volgens appellant heeft de arbeidsdeskundige destijds het rijtijdenbesluit niet goed toegepast en is hij er ten onrechte van uitgegaan dat appellant gedurende 52 weken per jaar 60 uur per week werkte. Dat is niet reëel en is bovendien in strijd met de bepaling in het rijtijdenbesluit dat een chauffeur maximaal 90 uur per twee weken mag rijden. Doordat het maatmaninkomen onjuist is vastgesteld, kunnen volgens appellant de besluiten waarmee de WAZ-uitkering van hem is teruggevorderd niet in stand blijven. Volgens appellant is wel degelijk sprake van een nieuw feit, omdat hij aanvankelijk niet wist dat bij de berekening van zijn maatmaninkomen aansluiting is gezocht bij het rijtijdenbesluit.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van het verzoek om herziening in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, heeft het Uwv op het verzoek van appellant beslist met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb. De rechtbank heeft vervolgens terecht geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. De enkele stelling van appellant dat hij eerder niet wist dat bij de berekening van zijn maatmaninkomen aansluiting is gezocht bij het rijtijdenbesluit maakt niet dat sprake is van een nieuw feit als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb.
5.2.1.
Ook het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit niet evident onredelijk is, wordt onderschreven. Volgens vaste rechtspraak kan daarbij worden betrokken of het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is. [3] In zijn uitspraak van 19 juli 2023 [4] heeft de Raad de advocaat-generaal Wattel in zijn conclusie van 6 december 2022 [5] gevolgd dat uit de aard van het voor de (overeenkomstige) toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb geldende criterium voortvloeit dat bij boetebesluiten een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of een summier onderzoek voldoende moet zijn om tot onmiskenbare onjuistheid van het oorspronkelijke boetebesluit te concluderen. Het is aan de verzoeker om dit aannemelijk te maken. Dit criterium voor het aannemen van onmiskenbare onjuistheid is ook van toepassing op niet-punitieve besluiten, zoals in deze zaak het besluit tot toekenning van de WAZ-uitkering in 2002.
5.2.2.
Uit het dossier blijkt dat appellant bij zijn aanvraag om een WAZ-uitkering heeft opgegeven dat hij voordat hij ziek werd werkzaam was als internationaal chauffeur voor gemiddeld 80 uur per week. Bij de berekening van het maatmaninkomen heeft de arbeidsdeskundige aansluiting gezocht bij het in het rijtijdenbesluit genoemde maximum van 56 uur per week. Omdat appellant naast de werkzaamheden als chauffeur voor gemiddeld vier uur per week administratieve werkzaamheden verrichtte, is de totale omvang vastgesteld op 60 uur per week. Het maatmaninkomen is berekend door de gemiddelde winst in de drie boekjaren vóór het jaar waarin appellant ziek werd te delen door een factor ’60 x 52’.
5.2.3.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 26 oktober 2023 overwogen dat er geen aanleiding is terug te komen van de vaststelling van het maatmaninkomen in 2002. Daarbij heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat het geen uitzondering is dat zelfstandige chauffeurs behoorlijk veel uren draaien. Het is thans niet na te gaan wat in 2002 exact besproken is tussen de arbeidsdeskundige en appellant. De arbeidsdeskundige heeft de urenomvang gebaseerd op het rijtijdenbesluit: maximaal 56 uur per week rijden plus vier uur per week administratie. in het rijtijdenbesluit staat inderdaad meer dan alleen het maximum van 56 uur per week. Uit dit besluit volgt namelijk ook dat een chauffeur maximaal 90 uur per twee weken mag rijden. Dit betekent dat gemiddeld 45 uur per week wordt gereden en de totale omvang (inclusief vier uur administratie) zou dan uitkomen op 49 uur per week. Als van dit aantal uren wordt uitgegaan, zou het maatmaninkomen ongeveer € 1,50 hoger zijn dan het bedrag waarop dit destijds is vastgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft er echter ook op gewezen dat een urenomvang van meer dan 50 uur per week in de transportbranche niet ongebruikelijk is en ook wordt geaccepteerd als maatmanomvang, waarbij hij heeft verwezen naar een tweetal uitspraken van de Raad. [6] Appellant komt niet met nieuwe informatie die aanleiding geeft om het maatmaninkomen aan te passen en heeft niet aangetoond dat hij minder dan 60 uur per week heeft gewerkt. Daarom heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat het maatmaninkomen in 2002 onjuist is berekend.
5.2.4.
De Raad kan deze motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep volgen. Hoewel de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mogelijkheid niet heeft uitgesloten dat destijds tot een andere vaststelling van het maatmaninkomen was gekomen, maakt dit niet dat het besluit van 4 juli 2002 onmiskenbaar onjuist is. Appellant wil opnieuw een discussie voeren over de juistheid van het oorspronkelijke besluit. In deze procedure is daarvoor alleen plaats als dat besluit onmiskenbaar onjuist is of er andere redenen zijn waardoor het evident onredelijk zou zijn om niet terug te komen van het oorspronkelijke besluit. [7] Daarvan is hier geen sprake.

Conclusie en gevolgen

5.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek om herziening in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en J.H. Ermers en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. Gios als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) N. Gios

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 4:6 van Pro de Awb:
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Voetnoten

1.Dit is de gebruikelijke benaming voor de wetgeving die de werkuren van chauffeurs regelt, bestaande uit onder andere het Arbeidstijdenbesluit vervoer en diverse (Europese) verordeningen en verdragen.
2.Zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en van
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1106.
4.CRvB 19 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1363.
5.CRvB 6 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2623.
6.Zie de uitspraken van de Raad van 13 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BG9900 en 20 mei 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT7623.
7.Vergelijk de uitspraak van de Raad van 23 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1106.