ECLI:NL:CRVB:2026:762

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
25/459 WMO15
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:113 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij maatwerkvoorziening wasverzorging Wmo 2015

De zaak betreft een hoger beroep tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen over een maatwerkvoorziening voor ondersteuning bij het huishouden, specifiek wasverzorging, op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

Eerder had de Raad een eerdere beslissing vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Het college heeft vervolgens op 20 februari 2025 een nieuw besluit genomen, waarbij de omvang van de wasverzorging werd vastgesteld op 120 minuten per week volgens het CIZ-protocol. Appellant betwistte dit besluit en vorderde inhaalhulp omdat hij meent dat hij destijds te weinig ondersteuning heeft gekregen.

De Raad oordeelt dat appellant geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit omdat het geschil ziet op een afgesloten periode in het verleden, er geen aanwijzingen zijn dat appellant schade heeft geleden, en een inhoudelijk oordeel geen betekenis heeft voor toekomstige voorzieningen. Daarom verklaart de Raad het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/459 WMO15
Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van SittardGeleen van 20 februari 2025
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)
Datum uitspraak: 3 juni 2026
SAMENVATTING
De Raad oordeelt dat appellant geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 20 februari 2025. De Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

PROCESVERLOOP

Met een uitspraak van 22 januari 2025 [1] heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Limburg van 9 maart 2022 vernietigd, het beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 8 september 2020 vernietigd voor zover die betrekking heeft op het onderdeel wasverzorging. Het college is opdracht gegeven om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak. Met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat tegen de te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Met een besluit van 20 februari 2025 (bestreden besluit) heeft het college opnieuw op het bezwaar van appellant beslist.
Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire beroep ingesteld en stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift en stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2026. Voor appellant is mr. Grégoire verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.M. Roestenberg. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 24/2800. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. In de zaak 24/2800 is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 22 januari 2025.
1.1.
In die uitspraak ging het om een maatwerkvoorziening voor ondersteuning bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) over de periode van 23 mei 2020 tot en met 21 mei 2024
.De Raad heeft geoordeeld dat het college zijn beleid over de wasverzorging niet ten grondslag heeft mogen leggen aan het besluit van 8 september 2020. Dat besluit was voor zover dat ziet op het onderdeel wasverzorging dan ook niet zorgvuldig voorbereid. Aan het college is opdracht gegeven om ten aanzien van de wasverzorging de omvang van de ondersteuning opnieuw vast te stellen.
1.2.
Na de uitspraak van de Raad heeft het college aan appellant gevraagd of de zorgaanbieder over de periode van 23 mei 2020 tot en met 21 mei 2024 meer tijd aan wasverzorging heeft besteed dan aan hem was verstrekt en zo ja of appellant hiervoor kosten heeft gemaakt dan wel rekeningen onbetaald zijn gebleven. Appellant heeft daarop naar voren gebracht dat iemand met een minimuminkomen hulp niet (vooruit) kan betalen. Verder is opgemerkt dat er geen verbod bestaat op het met terugwerkende kracht verstrekken van ondersteuning. Dat kan via zorg in natura, maar ook in de vorm van een geldbedrag waarmee appellant zelf de inhaalhulp kan regelen.
Het bestreden besluit
2. Om uitvoering te geven aan de uitspraak van de Raad heeft het college het bestreden besluit genomen. Volgens het college dient in een situatie als deze te worden teruggevallen op het CIZ-protocol. Het college heeft de omvang van de wasverzorging met toepassing van dit protocol bepaald op 120 minuten per week. Omdat niet is gebleken dat aan appellant in de periode waarop de maatwerkvoorziening zag meer ondersteuning is geboden dan al was verstrekt en ook niet is gebleken dat appellant over de verstreken periode extra kosten voor deze ondersteuning heeft gemaakt of dat er taken zijn blijven liggen, heeft het college geen extra tijd meer verstrekt.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met het bestreden besluit niet eens. Hij heeft – kort samengevat – aangevoerd dat het huis nu niet schoon is doordat hij destijds te weinig ondersteuning heeft gekregen en dat het college daarom inhaalhulp moet verstrekken

Het oordeel van de Raad

4. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of appellant procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De Raad komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden. [2]
4.2.
Het geschil ziet op een afgesloten periode in het verleden. Gesteld noch gebleken is dat een inhoudelijk oordeel over het beroep nog van belang kan zijn voor een toekomstige maatwerkvoorziening voor appellant. De Raad acht het verder op voorhand onaannemelijk dat appellant schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit. Uit de beantwoording van de door het college gestelde vragen blijkt niet dat appellant kosten heeft gemaakt dan wel dat een betalingsverplichting voor hem is ontstaan vanwege extra aan hem geleverde ondersteuning in de hier voorliggende verstreken periode. Ook is niet gebleken dat een nu nog in te halen achterstand is ontstaan doordat in het verleden te weinig minuten voor wasverzorging zijn verstrekt.

Conclusie en gevolgen

5. Uit het bovenstaande volgt dat appellant geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
6. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en L.M. Tobé en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) D.M.A. van de Geijn

Voetnoten

2.Zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.