ECLI:NL:CRVB:2026:800

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
25/1162 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 7b WAOArt. 37 WAOArt. 39a WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering wijziging WAO-uitkering wegens geen toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak

Appellant, voormalig beveiligingsbeambte, heeft sinds 1998 een WAO-uitkering wegens rug- en psychische klachten. Na diverse herbeoordelingen en verzoeken tot herziening van zijn uitkering, waarbij het UWV telkens weigerde de uitkering te wijzigen, stelde appellant dat zijn beperkingen waren toegenomen door dezelfde ziekteoorzaak. De rechtbank Den Haag vernietigde een eerdere afwijzing en beval het UWV tot een nieuwe beoordeling.

Het UWV voerde een nieuw medisch onderzoek uit, waarbij werd vastgesteld dat er geen toegenomen beperkingen waren ten opzichte van 2005 en dat de toename van klachten het gevolg was van een andere ziekteoorzaak, namelijk een CVA. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld, dat het ontbreken van een spreekuurcontact niet onzorgvuldig was, en dat de medische beoordeling juist was.

Appellants argumenten dat de CVA voortkwam uit dezelfde ziekteoorzaak en dat hij verzekerd was via werk en WW werden verworpen. De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond, waardoor de weigering van het UWV om terug te komen op de eerdere besluiten in stand blijft.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om terug te komen op de besluiten tot weigering wijziging van de WAO-uitkering.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1162 WAO
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 mei 2025, 24/6100 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 juni 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om terug te komen van het besluit van 22 augustus 2014 en het besluit van 22 oktober 2018, waarin is geweigerd de WAOuitkering van appellant te wijzigen. Volgens appellant is sprake van een nieuw feit en zijn de verzekerde klachten toegenomen. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geweigerd terug te komen van de eerdere besluiten.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Berkel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 1 april 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Berkel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. van Riet.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is werkzaam geweest als beveiligingsbeambte. Hij heeft zich op 1 september 1997 ziekgemeld met rugklachten. Nadien zijn ook psychische klachten ontstaan. Met ingang van 1 september 1998 is aan appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2.
In verband met een herbeoordeling in het kader van de WAO heeft in 2005 onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 april 2005. De arbeidsdeskundige heeft voor appellant functies geselecteerd op basis waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is berekend op 15,56%. Het Uwv heeft bij besluit van 28 juni 2005 vastgesteld dat appellant met ingang van 29 augustus 2005 recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
1.3.
Appellant is per 20 februari 2008 gaan werken als beveiliger. Vanaf die datum is de WAO-uitkering niet meer betaald, omdat op basis van de inkomsten van appellant er geen verlies aan verdiencapaciteit meer resteerde. Voor deze werkzaamheden heeft appellant zich op 4 augustus 2009 ziekgemeld, maar op 1 september 2009 heeft hij zijn werk weer hervat. Het dienstverband is geëindigd op 19 februari 2010.
1.4.
In verband met het einde van het dienstverband heeft appellant van 22 februari 2010 tot en met 21 mei 2010 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Met ingang van 16 april 2010 is de WAOuitkering van appellant heropend. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is daarbij vastgesteld op 15 tot 25%.
1.5.
Op 8 juli 2012 heeft appellant per 20 juni 2012 een toename van zijn arbeidsongeschiktheid als gevolg van een herseninfarct (CVA) gemeld. Bij besluit van 30 augustus 2012 heeft het Uwv het verzoek van appellant tot herziening van zijn WAOuitkering afgewezen, omdat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 39a van de WAO. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.
1.6.
Bij brief van 20 juni 2014 heeft appellant opnieuw gemeld dat zijn gezondheid sinds 20 juni 2012 is verslechterd en verzocht zijn WAO-uitkering te herzien. Bij besluit van 22 augustus 2014 heeft het Uwv geweigerd de WAO-uitkering van appellant te wijzigen. Aan dit besluit ligt een rapport van een arts van het Uwv van 13 augustus 2014 ten grondslag. Deze arts heeft geconstateerd dat geen sprake is van toegenomen beperkingen als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak. Het Uwv heeft daarbij opgemerkt dat appellant alleen een hogere uitkering kan krijgen voor nieuwe gezondheidsklachten als hij verzekerd is voor de WAO. Gelet op het feit dat appellant niet werkt, is hij niet verzekerd voor de WAO. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.
1.7.
In augustus 2018 heeft appellant gevraagd of de hoogte van zijn WAO-uitkering nog wel juist is. Het Uwv heeft dit verzoek opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 22 augustus 2014.
1.8.
Bij besluit van 22 oktober 2018 heeft het Uwv het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 22 augustus 2014 afgewezen, omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een verzekeringsarts heeft in een rapport van 19 oktober 2018 vastgesteld dat wel sprake is van toename van beperkingen, maar dat die toename evident het gevolg is van een andere ziekteoorzaak dan de problematiek die ten grondslag lag aan de gedeeltelijke WAOuitkering. De WAO-uitkering is daarom ongewijzigd gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Ook tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.
1.9.
Op 11 februari 2022 heeft appellant het Uwv nogmaals verzocht terug te komen van het besluit van 22 augustus 2014. Bij besluit van 10 mei 2022 is dit verzoek van appellant om terug te komen van de besluiten van 20 augustus 2014 en 22 augustus 2018 [lees: 22 augustus 2014 en 22 oktober 2018] afgewezen. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts van 6 mei 2022 ten grondslag. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Appellant heeft gesteld dat zijn gezondheidsklachten voortvloeien uit dezelfde ziekteoorzaak uit het verleden. In dit verband heeft hij informatie in verband met de aanvraag voor een parkeervoorziening van 8 december 2014 en 6 januari 2015, een anamnesekaart van 5 april 2012, een brief van revalidatiearts A. de Rooij van 20 augustus 2012 en een brief van revalidatiearts N. Roux-Otter (van Basalt) van 13 juli 2022 ingediend.
1.10.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 februari 2022 heeft het Uwv bij besluit van 15 november 2022 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd.
1.11.
Bij uitspraak van 15 december 2023 [1] heeft de rechtbank Den Haag het beroep van appellant tegen het besluit van 15 november 2022 gegrond verklaard, het besluit van 15 november 2022 vernietigd en het Uwv opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de brief van revalidatiearts Roux-Otter van 13 juli 2022 ten onrechte niet heeft aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid ten aanzien van de rugklachten waarvoor appellant sinds 1998 een WAOuitkering ontvangt. Nu uit die brief blijkt dat de rugklachten van appellant na 2012 zijn toegenomen, had het Uwv in die brief aanleiding moeten zien de verzekeringsarts onderzoek te laten doen naar de vraag of dat leidt tot toegenomen arbeidsongeschiktheid en of die 104 weken onafgebroken heeft geduurd als bedoeld in artikel 37 van Pro de WAO. Verder heeft de rechtbank overwogen dat uit de brief van 13 juli 2022 niet blijkt van een toename van psychische klachten, zodat het Uwv daarin geen aanleiding heeft hoeven zien terug te komen van de besluiten van 22 augustus 2014 en 22 oktober 2018. De weigering van het Uwv om terug te komen van deze besluiten is naar het oordeel van de rechtbank in zoverre niet evident onredelijk. De rechtbank heeft het Uwv opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen en daarbij het Uwv opgedragen in deze zaak een andere beoordeling te verrichten dan naar aanleiding van het herzieningsverzoek is gedaan, namelijk of bij appellant sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak als die aanleiding heeft gegeven tot het toekennen van de WAO-uitkering.
1.12.
Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het Uwv op 31 mei 2024 (bestreden besluit) opnieuw op het bezwaar van appellant beslist. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant opnieuw ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 mei 2024 ten grondslag. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er geen aanleiding toegenomen beperkingen in verband met de rugklachten aan te nemen. Hij heeft toegelicht dat uit het onderzoek van de revalidatiearts is gebleken dat sprake is van leeftijdsconforme, licht degeneratieve afwijkingen, en dat geen sprake is van een relevante pathologie van de werkvelkolom. Wel is sprake van lichte scheefstand. Omdat er naast deze standsafwijking geen andere afwijkingen aan de rug worden gevonden, is de belastbaarheid van de rug volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet verminderd ten opzichte van 2005 en is er geen aanleiding toegenomen rugbeperkingen aan te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij vastgesteld dat in 2005 al rekening is gehouden met aanzienlijke rugbeperkingen ten aanzien van frequent buigen, duwen en trekken, tillen of dragen, frequent zware lasten, lopen, traplopen, geknield of gehurkt werken en gebogen of getordeerd werken en dat zitten, staan en lopen afgewisseld moet kunnen worden. Dat het af en toe bij appellant in de rug schiet, waardoor hij op zo’n moment niet veel meer kan, past bij aspecifieke rugklachten afkomstig van spieren (spit). Er zijn dan tijdelijk toegenomen beperkingen die over het algemeen korter duren dan vier weken en geen aanleiding geven de FML aan te passen omdat hierin langdurige beperkingen worden weergegeven. Als er in stand houdende factoren zijn, zoals spanningen, kunnen de klachten wat langer voortduren, maar vanwege het ontbreken van verdere afwijkingen is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zeker geen reden langer dan 104 weken uit te gaan van toegenomen beperkingen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep – gelet op de eerdere uitspraak van de rechtbank – uitsluitend diende te beoordelen of de brief van 13 juli 2022 van de revalidatiearts aanleiding geeft te concluderen dat er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dit afdoende gedaan in zijn rapport van 23 mei 2024. Hij had daarbij bovendien de beschikking over informatie van de radioloog van 2 juni 2022, 4 december 2018 en 23 mei 2022. De verzekeringsarts bezwaar en beroep hoefde appellant daarom niet uit te nodigen voor een persoonlijk gesprek. De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat het bestreden besluit niet berust op het standpunt dat er geen causaal verband zou zijn tussen de gestelde beperkingen en de ziekteoorzaak, maar op de (afwijzings)grond dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd dat er weliswaar een lichte scheefstand van de rug is, maar dat dit geen aanleiding geeft om appellant verder toegenomen beperkt te achten. De stelling van appellant dat al in 2005 sprake was van een scheefstand van de rug heeft de rechtbank niet gevolgd. In het rapport van de verzekeringsarts van 12 mei 2005 wordt slechts vermeld dat er sprake is van chronische aspecifieke rugpijn en daarin wordt niet een scheefstand van de rug vermeld. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van toegenomen beperkingen, zodat geen aanleiding bestaat om toegenomen arbeidsongeschiktheid gedurende onafgebroken 104 weken aan te nemen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Appellant heeft in dat kader aangevoerd dat hij ten onrechte niet is gezien of gehoord door een verzekeringsarts. Verder heeft appellant benadrukt dat zijn gezondheidstoestand is verslechterd als gevolg van een CVA. Het Uwv heeft volgens hem ten onrechte het standpunt ingenomen dat CVA nieuwe gezondheidsklachten betreft. Niet in geschil is dat dat hij bekend was met was met rugklachten en psychische klachten, waaronder depressie- en angstklachten. Dergelijke klachten gaan gepaard met een hoge bloeddruk en een hoge bloeddruk is een risicofactor voor een CVA. De beslissing dat sprake is van een nieuwe ziekteoorzaak kan ten aanzien van de CVA volgens appellant niet zonder meer worden getrokken. Die oorzaak ligt in de klachten die appellant reeds in 1998 had, maar is later in de vorm van een CVA tot uiting gekomen. Verder heeft appellant erop gewezen dat hij in de periode van 3 maart 2008 tot en met 20 februari 2010 heeft gewerkt bij een beveiligingsbedrijf en dus – via werk – verzekerd was tegen arbeidsongeschiktheid. Appellant heeft de Raad verzocht een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit, inhoudende een weigering van het Uwv om terug te komen van de besluiten van 22 augustus 2014 en 22 oktober 2018, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Zoals ter zitting met appellant is besproken, gaat het appellant met name om de weigering terug te komen van het besluit van 22 augustus 2014, waarbij het Uwv naar aanleiding van een herbeoordeling heeft geweigerd de WAOuitkering te wijzigen, omdat de oorzaak van de toename van zijn klachten gevolg is van een andere ziekteoorzaak dan waarvoor hij een WAOuitkering ontving. Het besluit van 22 oktober 2018 betreft een besluit in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb en betreft eveneens een weigering om terug te komen van het besluit van 22 augustus 2014.
5.2.
Niet in geschil is dat appellant aan zijn verzoek een nieuw medisch feit ten grondslag heeft gelegd, namelijk de informatie van de revalidatiearts van 13 juli 2022. Verder is niet in geschil dat het Uwv terecht heeft beoordeeld of appellant voldoet aan de voorwaarden van artikel 37 van Pro de WAO. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. De vraag of voor het Uwv gelet op de informatie van de revalidatiearts aanleiding bestond terug te komen van het besluit van 22 augustus 2014, beantwoordt de Raad ontkennend. Daarvoor is het volgende van belang.
5.3.
Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat onderzoek zorgvuldig is geweest. Appellant heeft benadrukt dat er meer medische informatie voorhanden was, maar dat de rechtbank heeft volstaan met te verwijzen naar de brief van de radioloog. Volgens appellant had hij ook door de verzekeringsarts gezien en gehoord moeten worden. Deze grond slaagt niet.
5.3.1.
Het verzoek van appellant om het besluit van 22 augustus 2014 te herzien dateert van 11 februari 2022, waarbij het gaat om een melding van een verslechterde gezondheid per 20 juni 2012. Dit betekent dat de verzekeringsarts zich een beeld moest vormen over de medische situatie van appellant in een (ver) verleden. Gelet daarop bestaat geen aanleiding om het achterwege laten van een spreekuur in deze zaak onzorgvuldig te achten. De conclusie van het Uwv dat een spreekuurcontact ruim tien jaar na de te beoordelen periode geen toegevoegde waarde heeft, kan in deze zaak worden gevolgd. [2] Verder is van belang dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep kennis heeft genomen van het medisch dossier van appellant en van de door appellant na de beslissing op bezwaar overgelegde informatie van de radioloog en deze informatie ook bij zijn beoordeling heeft betrokken.
5.4.
Volgens appellant blijkt verder dat zijn klachten van zijn rug wel waren toegenomen. Appellant meent dat de conclusie, inhoudende dat de belastbaarheid van de rug niet is verminderd ten opzichte van 2005 en dat slechts sprake is geweest van leeftijdconforme en licht degeneratieve afwijkingen, in het licht van de medische informatie, niet in stand kan blijven. Appellant heeft benadrukt dat de rugklachten en het ontzien van bepaalde bewegingen/houdingen of het aanpassen van bewegingen, als gevolg van andere reeds bestaande beperkingen en derhalve los van een CVA, tot verdere beperkingen leiden. Ook deze grond slaagt niet.
5.4.1.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 23 mei 2024 voldoende uiteen heeft gezet dat in de medische stukken geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden dat de beperkingen, zoals neergelegd in de FML van 28 april 2005, niet voldoende zouden zijn. Uit de informatie van de radioloog uit 2018 en 2022 blijkt slechts dat sprake was van lichte degeneratieve afwijkingen, maar geen relevante pathologie van de wervelkolom. Het standpunt van het Uwv dat hierin geen aanleiding wordt gezien voor het aannemen van extra beperkingen, kan worden gevolgd. Daarbij is van belang dat in de FML van 2005 al aanzienlijke beperkingen voor de rug zijn aangenomen op diverse onderdelen van de FML. Ook uit de informatie van de revalidatiearts Roux-Otter kan niet worden afgeleid dat het Uwv onvoldoende beperkingen heeft vastgesteld.
5.5.
Appellant meent verder dat het Uwv ten onrechte het standpunt in heeft genomen dat de CVA nieuwe gezondheidsklachten betreffen. Die oorzaak ligt in de klachten die appellant reeds in 1998 had, maar is later in de vorm van een CVA tot uiting gekomen. Het is volgens appellant bekend dat langdurige stress de bloeddruk verhoogt, wat het risico op een CVA vergroot. Deze grond slaagt niet.
5.5.1.
De verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben terecht geoordeeld dat de klachten als gevolg van het hersenletsel klachten zijn uit een andere oorzaak dan waarvoor appellant eerder zijn WAO-uitkering ontving, te weten rugklachten en psychische klachten. Het feit dat psychische klachten mogelijk kunnen leiden tot een hoge bloeddruk en dat een hoge bloeddruk vervolgens een risicofactor vormt voor het ontstaan van een CVA, betekent niet dat sprake is van klachten die voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat een risicofactor niet op een lijn kan worden gesteld met een ziekteoorzaak. [3]
5.6.
Appellant heeft tot slot nog aangevoerd dat hij van 3 maart 2008 tot 20 februari 2010 heeft gewerkt bij een beveiligingsbedrijf, zodat hij via het werk – en nadien via het ontvangen van een WWuitkering – verzekerd was tegen arbeidsongeschiktheid. Ook deze grond slaagt niet.
5.6.1.
Op het moment van het hersenletsel was appellant immers niet meer werkzaam en ontving hij vanaf 22 mei 2010 ook geen WWuitkering meer, zodat hij op dat moment uitsluitend op grond van artikel 7b van de WAO verzekerd was.
5.7.
Er is dan ook geen aanleiding voor twijfels bij de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsartsen van het Uwv, zodat er evenmin aanleiding is een deskundige te benoemen. Het betreffende verzoek van appellant wordt daarom afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van het Uwv om terug te komen van het besluit van 22 augustus 2014 en het besluit van 20 oktober 2018 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) M.G.J. van Eck

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 4:6 van Pro de Awb

1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Artikel 7b van de WAO

1. Voor de toepassing van deze wet wordt mede als werknemer beschouwd degene, die op grond van de verplichte verzekering ingevolge deze wet uitkering ontvangt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op diegene die niet in Nederland woont.

Artikel 37 van Pro de WAO

1. Ter zake van toeneming van arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, onverminderd de artikelen 39 en 39a, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 104 weken heeft geduurd.
2. De in het eerste lid genoemde herziening na 104 weken vindt niet plaats als de WAOuitkeringsgerechtigde bij het intreden van de toegenomen arbeidsongeschiktheid uitsluitend op grond van artikel 7b van de WAO als werknemer wordt beschouwd en de toename van de arbeidsongeschiktheid kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit al bestaande arbeidsongeschiktheid waarvoor een WAO-uitkering wordt ontvangen, is voortgekomen.

Artikel 39a van de WAO

1. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vijf jaar na de datum van toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en die voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, vindt herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag 15 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:19545.
2.Zie ook de uitspraak van de Raad van 7 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1951.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 4 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP6920 en van 8 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1291.