Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:815

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
24/2647 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7a AOWArt. 1 EP EVRMArt. 14 GrondwetArt. 120 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing AOW-aanvraag vóór verhoogde pensioengerechtigde leeftijd

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd voor de AOW, waarbij hij aanspraak wilde maken op AOW vanaf zijn 65ste verjaardag. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af op grond van artikel 7a van de AOW, waarin een stapsgewijze verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd is geregeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand.

In hoger beroep betoogde appellant dat de verhoging in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 14 van Pro de Grondwet, en dat hij tijdens zijn werkzame leven een bindend contract had voor AOW vanaf 65 jaar. De Raad oordeelde dat de verhoging een proportionele inmenging in het eigendomsrecht betreft en dat de Grondwet geen toetsing aan artikel 7a van de AOW toelaat.

Appellant stelde verder dat de verhoging voor hem een onevenredig zware last vormt, omdat hij door emigratie en financiële planning rekening hield met AOW vanaf 65 jaar. De Raad vond dit niet aannemelijk en oordeelde dat appellant voldoende gelegenheid had om zich op de verhoging voor te bereiden. Er waren geen bijzondere omstandigheden die tot een uitzondering konden leiden.

De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de AOW-aanvraag vóór de verhoogde pensioengerechtigde leeftijd blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2647 AOW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2024, 23/5815 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Thailand (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 18 juni 2026

SAMENVATTING

Appellant is het niet eens met de verhoogde pensioengerechtigde leeftijd voor de AOW. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de verhoging van de pensioenleeftijd in algemene zin niet in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Er zijn ook geen bijzondere omstandigheden die leiden tot het aannemen van een onevenredig zware last op grond waarvan de verhoogde pensioenleeftijd buiten toepassing moet worden gelaten.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Appellant heeft nadere stukken ingediend. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 mei 2026. Appellant en zijn echtgenote hebben aan de zitting deelgenomen via beeldbellen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Pinar.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is geboren op [geboortedatum] 1958.
1.2.
Met een besluit van 25 augustus 2023 heeft de Svb afwijzend beslist op de aanvraag van appellant om hem vanaf zijn 65ste verjaardag een AOW [1] -pensioen toe te kennen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is met een besluit van 28 augustus 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar artikel 7a van de AOW heeft de Svb overwogen dat door de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd appellant pas op [geboortedatum] 2025 de pensioengerechtigde leeftijd voor de AOW bereikt en vanaf dat moment recht heeft op een AOW-pensioen.
1.3.
Aan appellant is met een besluit van 5 december 2024 met ingang van [geboortedatum] 2025 een AOW-pensioen toegekend.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak niet eens. Wat appellant tegen de uitspraak heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Appellant is het niet eens met de weigering het AOW-pensioen toe te kennen vanaf zijn 65ste verjaardag. Hij stelt zich op het standpunt dat het ophogen van de pensioengerechtigde leeftijd in algemene zin in strijd is met het in artikel 1 van Pro het EP [2] neergelegde recht op het ongestoord genot van eigendom. Het is daarnaast in strijd met artikel 14 van Pro de Grondwet. Appellant betwist dat er voor die ophoging legitieme redenen waren die de inmenging in het eigendomsrecht kunnen rechtvaardigen. Daarnaast heeft appellant tijdens zijn werkende leven premie betaald met het vooruitzicht dat hij op zijn 65ste jaar AOW zou ontvangen. Dat is volgens appellant een bindend contract.
4.1.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op 1 januari 2013 is artikel 7a van de AOW in werking getreden. De in dit artikel opgenomen wettelijke regeling voorziet in een stapsgewijze verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd voor de pensioenopbouw. Het is vaste rechtspraak [3] dat met de invoering van artikel 7a van de AOW en de daarmee gepaard gaande verschuiving van de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd sprake is van een inmenging in het eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van Pro het EP. Deze inmenging wordt in het algemeen proportioneel geacht, zodat zij in de regel niet leidt tot een schending van artikel 1 van Pro het EP. Ter motivering van die conclusie is in die uitspraken uitgebreid ingegaan op de legitimiteit van de met de wetswijziging te dienen doelen, en is bovendien geoordeeld dat de verwachting dat een sociaal systeem waarin wordt geparticipeerd nooit gewijzigd zou kunnen worden, niet gerechtvaardigd is. De Raad verwijst kortheidshalve naar de overwegingen die in die uitspraken zijn opgenomen. De Raad ziet in wat appellant heeft betoogd geen reden om hier nu anders over te denken. Aan toetsing aan artikel 14 van Pro de Grondwet komt de Raad niet toe, nu de Raad op grond van artikel 120 van Pro de Grondwet artikel 7a van de AOW niet aan de in de Grondwet opgenomen grondrechten mag toetsen. [4]
4.2.
Het voorgaande neemt niet weg dat toepassing van artikel 7a van de AOW in individuele, concrete gevallen kan leiden tot een onevenredig zware last als bedoeld in de rechtspraak van het EHRM [5] en daardoor schending van artikel 1 EP Pro. [6]
4.3.
Appellant heeft in dat verband gesteld dat in zijn geval sprake is van zo een onevenredig zware last. Zijn keuze om te emigreren en zijn in dat verband gemaakte financiële raming hield rekening met het ontvangen van een AOW-pensioen op zijn 65ste. Als gevolg van de verhoogde pensioenleeftijd heeft hij in de tussenliggende twee jaar geen AOW gekregen, op zijn spaargeld moeten interen en een vervroegde pensioenopname moeten doen, waardoor zijn uiteindelijke pensioen lager zal zijn.
4.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Aan de hand van de beschikbare gegevens is het voor de Raad niet aannemelijk dat appellant zich in een dermate schrijnende situatie bevond dat sprake was van een onevenredig zware last. Toepassing van artikel 7a van de AOW heeft er in dit geval toe geleid dat appellant over de periode van [geboortedatum] 2023 tot [geboortedatum] 2025 niet in aanmerking kwam voor een AOW-pensioen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanaf de invoering van de stapsgewijze verhoging op 1 januari 2013 onvoldoende in de gelegenheid is geweest om maatregelen te nemen om zich op de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd in te stellen. Appellant heeft verder niet gesteld dat hij tijdens het door de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd ontstane AOW-gat onder het sociaal minimum leefde. Hij had bovendien, naar eigen zeggen, te veel vermogen om voor een uitkering op basis van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW in aanmerking te komen. De kern van de klacht van appellant, zoals ter zitting besproken, is dat hij op zijn eigen middelen heeft moeten interen. Het moeten interen op spaargeld of het moeten vervroegen van de pensioenopname en de financiële consequenties daarvan zijn echter geen zodanig bijzondere omstandigheden dat sprake is van een onevenredig zware last. [7] Andere bijzondere omstandigheden zijn niet gesteld en niet aannemelijk gemaakt, terwijl dat wel op de weg van appellant had gelegen. [8] Voor het buiten toepassing laten van artikel 7a van de AOW of anderszins compenserende maatregelen wegens strijd met artikel 1 van Pro het EP is dan ook geen aanleiding.

Conclusie en gevolgen

4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit tot afwijzing van de aanvraag om toekenning van een AOW-pensioen op de grond dat appellant de pensioengerechtigde leeftijd nog niet had bereikt in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. Hoogenboom in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.

(getekend) A. Hoogenboom

(getekend) F.M. Gerritsen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke en verdragsregels

Algemene ouderdomswet
Artikel 7a, eerste lid,
1. De pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd zijn:
a. vóór 1 januari 2013: 65, respectievelijk 15 jaar;
(…)
l.in 2023: 66 jaar en tien maanden, respectievelijk 16 jaar en tien maanden;
m.in 2024: 67 jaar, respectievelijk 17 jaar;
n.in 2025: 67 jaar, respectievelijk 17 jaar;
(…)
Op pensioengerechtigden die in een bepaald kalenderjaar de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt zijn de pensioengerechtigde leeftijd en de aanvangsleeftijd in de kalenderjaren daarna niet van toepassing.
Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Artikel 1
Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.
De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.
2.Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zie onder meer de uitspraken van 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2502 en ECLI:NL:CRVB:2016:2613 en de uitspraak van 25 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4507.
4.Zie Hoge Raad van 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725.
5.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
6.Zie onder meer de uitspraak van 18 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2960.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2902, r.o. 4.4.
8.Zie de uitspraak van de Raad van 23 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:172, r.o. 4.4.