ECLI:NL:CRVB:2026:815
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing AOW-aanvraag vóór verhoogde pensioengerechtigde leeftijd
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd voor de AOW, waarbij hij aanspraak wilde maken op AOW vanaf zijn 65ste verjaardag. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af op grond van artikel 7a van de AOW, waarin een stapsgewijze verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd is geregeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand.
In hoger beroep betoogde appellant dat de verhoging in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 14 van Pro de Grondwet, en dat hij tijdens zijn werkzame leven een bindend contract had voor AOW vanaf 65 jaar. De Raad oordeelde dat de verhoging een proportionele inmenging in het eigendomsrecht betreft en dat de Grondwet geen toetsing aan artikel 7a van de AOW toelaat.
Appellant stelde verder dat de verhoging voor hem een onevenredig zware last vormt, omdat hij door emigratie en financiële planning rekening hield met AOW vanaf 65 jaar. De Raad vond dit niet aannemelijk en oordeelde dat appellant voldoende gelegenheid had om zich op de verhoging voor te bereiden. Er waren geen bijzondere omstandigheden die tot een uitzondering konden leiden.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de AOW-aanvraag vóór de verhoogde pensioengerechtigde leeftijd blijft in stand.