ECLI:NL:CRVB:2026:82
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering toeslag op grond van de Toeslagenwet wegens arbeidsongeschiktheidspensioen
Appellant ontving vanaf 22 januari 2010 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) naast zijn WGA-vervolguitkering. Na melding van een nabetaling van een arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP over de periode 2009-2019, trok het UWV de toeslag met terugwerkende kracht in en vorderde het de betaalde toeslag terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het pensioen als 'overig inkomen' in de zin van de TW en het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) moest worden gekwalificeerd, waardoor appellant geen recht had op toeslag vanaf 2010. Het UWV had het beleid consistent toegepast en er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Appellant voerde aan dat hij niet wist van het pensioen en dat het onredelijk was de toeslag terug te vorderen. Het UWV stelde dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij aanspraak kon maken op het pensioen en dat dit gevolgen had voor de toeslag. In hoger beroep wijzigde het UWV het terugvorderingsbedrag naar het netto ontvangen bedrag van het pensioen.
De Raad concludeerde dat het UWV het pensioen terecht als inkomen heeft gekwalificeerd en dat de toeslag terecht is ingetrokken en teruggevorderd. De Raad vond geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, mede omdat appellant door de nabetaling niet in een financieel nadeliger positie is gekomen. De aangevallen uitspraak werd vernietigd en het beroep deels gegrond verklaard voor het terugvorderingsbedrag, met vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: De toeslag op grond van de TW is terecht ingetrokken en teruggevorderd wegens het arbeidsongeschiktheidspensioen, met een verlaagd terugvorderingsbedrag en vergoeding van proceskosten aan appellant.