ECLI:NL:CRVB:2026:82
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering van toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) door het Uwv
In deze zaak gaat het om de intrekking en terugvordering van een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Appellant ontving vanaf 13 juli 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering, die op 22 januari 2010 werd omgezet naar een WGA-vervolguitkering. Tegelijkertijd ontving hij een toeslag op grond van de TW. In mei 2020 meldde appellant een nabetaling van arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP, wat leidde tot de intrekking van zijn toeslag per 22 januari 2010 en een terugvordering van € 69.977,21. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar in hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep de zaak opnieuw beoordeeld. De Raad oordeelde dat het Uwv op goede gronden de toeslag heeft ingetrokken, omdat de inkomsten van appellant uit de WGA-vervolguitkering en het arbeidsongeschiktheidspensioen samen meer waren dan de bijstandsnorm. De Raad concludeerde dat er geen dringende redenen waren om van intrekking en terugvordering af te zien, en dat het Uwv zijn beleid consistent had toegepast. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor wat betreft het terugvorderingsbedrag, dat werd verlaagd naar € 69.977,21, maar het beroep tegen het bestreden besluit werd voor het overige ongegrond verklaard.