ECLI:NL:CRVB:2026:85
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering van toeslag voor ongehuwde alleenstaande woningdeler
In deze zaak gaat het om de intrekking en terugvordering van een toeslag op de WAO-uitkering van appellant, die door het Uwv is vastgesteld op basis van zijn status als woningdeler. Appellant ontving sinds 9 juni 2001 een WAO-uitkering en vanaf 4 augustus 2004 een toeslag op basis van de Toeslagenwet (TW). Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant per 1 juli 2021 als alleenstaande woningdeler moet worden aangemerkt, omdat hij zijn hoofdverblijf bij zijn moeder had en zijn woning aan een kennis had uitgeleend. Hierdoor was zijn inkomen hoger dan het sociaal minimum voor een woningdeler. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van het Uwv, maar de rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft de Raad voor de Rechtspraak geoordeeld dat het Uwv terecht de toeslag heeft ingetrokken en teruggevorderd, omdat appellant niet heeft aangetoond dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en stelt dat het Uwv alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen in zijn besluitvorming.