ECLI:NL:CRVB:2026:85

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
23/3483 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering van toeslag voor ongehuwde alleenstaande woningdeler

In deze zaak gaat het om de intrekking en terugvordering van een toeslag op de WAO-uitkering van appellant, die door het Uwv is vastgesteld op basis van zijn status als woningdeler. Appellant ontving sinds 9 juni 2001 een WAO-uitkering en vanaf 4 augustus 2004 een toeslag op basis van de Toeslagenwet (TW). Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant per 1 juli 2021 als alleenstaande woningdeler moet worden aangemerkt, omdat hij zijn hoofdverblijf bij zijn moeder had en zijn woning aan een kennis had uitgeleend. Hierdoor was zijn inkomen hoger dan het sociaal minimum voor een woningdeler. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van het Uwv, maar de rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft de Raad voor de Rechtspraak geoordeeld dat het Uwv terecht de toeslag heeft ingetrokken en teruggevorderd, omdat appellant niet heeft aangetoond dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en stelt dat het Uwv alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen in zijn besluitvorming.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/3483 TW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2023, 23/3101 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 21 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de intrekking en terugvordering van de toeslag op de WAOuitkering. Het Uwv heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant moet worden aangemerkt als woningdeler in de zin van artikel 2, zevende lid, van de TW en dat zijn inkomen hoger is dan het in die situatie geldende sociaal minimum. Appellant heeft aangevoerd dat hij in de periode waar het hier om gaat ook een eigen huurwoning had en feitelijk niet de kosten deelde. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat er dringende redenen zijn op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering af had moeten zien. De Raad volgt appellant niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de toeslag terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Moghni, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een vraag van de Raad beantwoord.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 november 2025. Voor appellant is mr. N. Talhaoui, advocaat en kantoorgenoot van mr. Moghni, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 9 juni 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Vanaf 4 augustus 2004 heeft hij in aanvulling daarop een toeslag ontvangen op grond van de Toeslagenwet (TW). De hoogte van de toeslag is berekend op basis van het sociaal minimum dat geldt voor een ongehuwde alleenstaande.
1.2.
Naar aanleiding van een melding van de politie is het Uwv een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde WAO-uitkering en toeslag. In het kader van dit onderzoek heeft het Uwv op 11 juli 2022 en 3 augustus 2022 gesprekken met appellant gevoerd. Tijdens het gesprek op 11 juli 2022 heeft appellant verklaard dat hij sinds een jaar bij zijn moeder woont en dat hij zijn woning vanaf 30 juni 2021 aan een kennis had uitgeleend.
1.3.
Bij besluit van 21 oktober 2022 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 1 juli 2021 een alleenstaande woningdeler is. Appellant heeft niet aan het Uwv doorgegeven dat zijn leefsituatie is gewijzigd, wat hij wel had moeten doen. Gelet op zijn persoonlijke situatie heeft het Uwv appellant geen boete opgelegd.
1.4.
Met een tweede besluit van 21 oktober 2022 heeft het Uwv de toeslag over de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 september 2022 ingetrokken, omdat het inkomen van appellant hoger was dan het sociaal minimum voor een alleenstaande woningdeler (de zogenoemde kostendelersnorm).
1.5.
Met een derde besluit van 21 oktober 2022 heeft het Uwv de toeslag over de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 september 2022, tot een bedrag van € 4.077,23 bruto, van appellant teruggevorderd.
1.6.
Bij besluit van 18 november 2022 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per maand € 290,- kan aflossen.
1.7.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de hiervoor genoemde besluiten. Bij besluit van 6 april 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren tegen de besluiten van 21 oktober 2022 ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen het besluit van 18 november 2022 heeft het Uwv gegrond verklaard. Vastgesteld is dat appellant maandelijks € 50,- terug moet betalen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant niet heeft betwist dat hij over de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 september 2022 toeslag heeft ontvangen op basis van een leefsituatie waarbij hij is aangemerkt als ongehuwd alleenstaande in plaats van alleenstaand woningdeler. Ook is niet betwist dat appellant over de betreffende periode € 4.077,23 bruto te veel aan toeslag heeft ontvangen. Te veel betaalde toeslag wordt op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW door het Uwv teruggevorderd, tenzij sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Appellant heeft niet concreet gemaakt waarom in zijn specifieke geval bij de besluitvorming door het Uwv het evenredigheidsbeginsel is geschonden en dat daarmee sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in de in het bestreden besluit gegeven motivering dat van dergelijke dringende redenen niet is gebleken. De rechtbank heeft verder geen aanknopingspunten gezien voor de conclusie dat het terugbetalingsbedrag van € 50,- per maand te hoog is vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat het Uwv uit coulance en conform het voorstel van de bewindvoerder van appellant akkoord is gegaan met het maandbedrag van € 50,- en dat appellant niet heeft onderbouwd waarom dit bedrag te hoog is.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat hij in de periode waar het hier om gaat ook een eigen huurwoning had en daar kosten voor moest maken. Hij deelde feitelijk dus niet in de kosten en daarom strookt het volgens appellant niet met de bedoeling van de wetgever dat hij wordt aangemerkt als woningdeler. Verder heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk had moeten worden afgezien van terugvordering. Appellant is van mening dat hem geen verwijt kan worden gemaakt. Hij is een kwetsbaar persoon en staat onder bewind. De invordering met € 50,- per maand drukt zwaar op hem en gezien de hoogte van het terugvorderingsbedrag is hij vele jaren bezig met aflossen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking en terugvordering van de toeslag in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
De intrekking van de toeslag
5.2.
Het Uwv heeft de toeslag over de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 september 2022 terecht ingetrokken. Namens appellant heeft zijn gemachtigde ter zitting bevestigd dat appellant in de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 september 2022 zijn hoofdverblijf in dezelfde woning als zijn moeder had. Dit is ook gebleken uit wat appellant zelf heeft verklaard in de gesprekken van 11 juli 2022 en 3 augustus 2022. Het Uwv heeft daarom terecht geconcludeerd dat voor hem het in artikel 2, zevende lid, van de TW genoemde sociaal minimum voor een woningdeler geldt. De stelling van appellant dat hij ook een eigen huurwoning had en daar kosten voor maakte, is gelet op de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 2, zevende lid, van de TW niet relevant, nog daargelaten dat deze stelling op geen enkele wijze is onderbouwd. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat voor de toepassing van de kostendelersnorm niet relevant is of de medebewoners feitelijk de kosten delen en of elk van hen daadwerkelijk bijdraagt in die kosten. [1]
De terugvordering
5.3.
Over de periode van 1 juli 2021 tot en met 30 september 2022 heeft appellant te veel toeslag ontvangen. Op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW is het Uwv verplicht de onverschuldigd betaalde toeslag van appellant terug te vorderen. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het Uwv op grond van het vijfde lid, besluiten om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien.
5.4.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 [2] heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De Raad ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan.
5.5.
De Raad is van oordeel dat het Uwv in de situatie van appellant alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden heeft meegewogen. In het enkele gegeven dat appellant onder bewind staat heeft het Uwv geen aanleiding hoeven zien om de toeslag die ten onrechte is betaald niet van appellant terug te vorderen. Daar komt bij dat appellant zijn stelling dat hij een kwetsbaar persoon is en daarom sprake is van een dringende reden, in het geheel niet heeft onderbouwd. Evenmin is gebleken dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de financiële gevolgen van de terugvordering voor appellant. Het Uwv heeft er in dit verband op gewezen dat na onderzoek is vastgesteld dat appellant in staat is om € 290,- per maand af te lossen en dat vervolgens op verzoek van de bewindvoerder het maandelijkse aflossingsbedrag uit coulance is verlaagd naar € 50,-.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering van de toeslag in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en D.S. de Vries en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
(getekend) E. Dijt
(getekend) C.M. Snellenberg

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 2, zevende lid, van de TW (tekst geldend vanaf 1 juli 2021):
Recht op toeslag heeft een ongehuwde die met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en die:
a. recht heeft op loondervingsuitkering, en
b. indien hij 21 jaar of ouder is en per dag een inkomen heeft dat lager is dan: € 36,10.
Artikel 11a van de TW:
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van toeslag en terzake van weigering van toeslag, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag;
b. indien anderszins de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12, 12a, eerste lid, aanhef en onderdeel b, of 13ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op toeslag bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 20 van de TW:
1. De toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
[…]
5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
[…]

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 24 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1261.
2.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.