1.4.Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 17 juli 2023 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het Uwv heeft toegelicht dat de WAOuitkering over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 verlaagd is omdat uit de definitieve aanslag van de Belastingdienst over 2021 volgt dat de fiscale winst over het jaar 2021 vanwege de ondernemersaftrek € 5.555,- bedraagt. Op basis hiervan is de WAO-uitkering over 2021 vastgesteld. Volgens het Uwv is er geen dringende reden om van terugvordering af te zien.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Over de grond van appellant dat hij een verlies heeft geleden van € 671,- en dat zijn inkomen op nihil moet worden gesteld heeft de rechtbank overwogen dat een bijtelling bij zijn inkomen over 2021 van € 6.226,- heeft plaatsgevonden voor het privégebruik van zijn auto. Op grond van artikel 44 van de WAO en artikel 2a, eerste lid, aanhef en onder e, en derde lid van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen (hierna: de Regeling) telt dit als ondernemersaftrek mee voor het inkomen. Daarmee is het inkomen uitgekomen op (- /- € 671,- plus € 6.226,-) € 5.555,-. Over het beroep op dringende reden heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen feiten en omstandigheden over de oorzaak van de terugvordering heeft aangevoerd. Over de gevolgen heeft de rechtbank opgemerkt dat appellant miskent dat het privégebruik van de auto als inkomen wordt gezien. Dat appellant een schuld bij het Uwv van € 75.000,- heeft en onder het sociaal minimum terechtkomt is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf onvoldoende om een dringende reden aan te nemen. Appellant betaalt op dit moment af op deze schuld en wordt beschermd door de wettelijke regels over de beslagvrije voet die een bestaansminimum garanderen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft herhaald dat op grond van artikel 2a, derde lid, van de Regeling de winst op nihil moet worden gesteld omdat de berekening van de winst in deze zaak tot een negatief bedrag leidt. Appellant stelt verder dat sprake is van een dringende reden op grond waarvan afgezien moet worden van terugvordering. Hij wijst hierbij op de uitspraak van de Raad van 18 april 2024en het feit dat hij in 2021 niet in staat is geweest om enig inkomen te verwerven. Zijn inkomen over 2021 is ver beneden het bestaansminimum. Verder is van belang dat hij door zijn handicap auto-afhankelijk is.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.