ECLI:NL:CRVB:2026:86

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
24/1789 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering WAO-uitkering en vaststelling inkomen appellant over 2021

In deze zaak gaat het om de terugvordering van een te veel ontvangen WAO-uitkering door het Uwv. Appellant ontving vanaf 1990 een WAO-uitkering en had daarnaast inkomsten als zelfstandig taxichauffeur. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant over het jaar 2021 een bedrag van € 4.146,06 bruto te veel aan WAO-uitkering heeft ontvangen, wat het Uwv heeft teruggevorderd. De Raad concludeert dat het Uwv het inkomen van appellant over 2021 juist heeft vastgesteld door de belastbare winst uit onderneming te vermeerderen met de ondernemersaftrek. De Raad heeft geen aanleiding gezien om op grond van een dringende reden van terugvordering af te zien. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, en de Raad bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het Uwv alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen bij de beoordeling van de dringende reden en dat het hoger beroep van appellant niet slaagt.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1789 WAO
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2024, 23/5194 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 21 januari 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant over het jaar 2021 een bedrag van € 4.146,06 bruto te veel aan WAO-uitkering heeft ontvangen en dit bedrag terecht heeft teruggevorderd. De Raad beantwoordt deze vragen bevestigend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft nadere stukken ingediend en hierop een toelichting gegeven.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 november 2025. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kramer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt vanaf 1990 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Naast de WAO-uitkering heeft hij inkomsten als zelfstandig taxichauffeur
.
1.2.
Het Uwv heeft bij besluit van 31 juli 2015 het inkomen van appellant over de jaren 2009, 2010, 2012 en 2013 vastgesteld met toepassing van artikel 44 van de WAO en bij besluit van 5 augustus 2015 in verband hiermee onverschuldigde betaalde WAO-uitkering van appellant teruggevorderd. Bij uitspraak van de Raad van 4 maart 2020 [1] zijn deze besluiten in rechte komen vast te staan.
1.3.
Het Uwv heeft bij besluit van 23 december 2022 de WAO-uitkering van appellant over het jaar 2021 definitief vastgesteld met toepassing van artikel 44 van de WAO. Op grond van de door de Belastingdienst aan het Uwv doorgegeven fiscale winst over het jaar 2021 van € 5.555,- is de WAO-uitkering van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 vastgesteld op € 666,20 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en van 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021 op € 672,73 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. Appellant heeft over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 € 4.146,06 bruto te veel uitkering ontvangen. Dit bedrag heeft het Uwv teruggevorderd.
1.4.
Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 17 juli 2023 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het Uwv heeft toegelicht dat de WAOuitkering over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 verlaagd is omdat uit de definitieve aanslag van de Belastingdienst over 2021 volgt dat de fiscale winst over het jaar 2021 vanwege de ondernemersaftrek € 5.555,- bedraagt. Op basis hiervan is de WAO-uitkering over 2021 vastgesteld. Volgens het Uwv is er geen dringende reden om van terugvordering af te zien.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Over de grond van appellant dat hij een verlies heeft geleden van € 671,- en dat zijn inkomen op nihil moet worden gesteld heeft de rechtbank overwogen dat een bijtelling bij zijn inkomen over 2021 van € 6.226,- heeft plaatsgevonden voor het privégebruik van zijn auto. Op grond van artikel 44 van de WAO en artikel 2a, eerste lid, aanhef en onder e, en derde lid van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen (hierna: de Regeling) telt dit als ondernemersaftrek mee voor het inkomen. Daarmee is het inkomen uitgekomen op (- /- € 671,- plus € 6.226,-) € 5.555,-. Over het beroep op dringende reden heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen feiten en omstandigheden over de oorzaak van de terugvordering heeft aangevoerd. Over de gevolgen heeft de rechtbank opgemerkt dat appellant miskent dat het privégebruik van de auto als inkomen wordt gezien. Dat appellant een schuld bij het Uwv van € 75.000,- heeft en onder het sociaal minimum terechtkomt is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf onvoldoende om een dringende reden aan te nemen. Appellant betaalt op dit moment af op deze schuld en wordt beschermd door de wettelijke regels over de beslagvrije voet die een bestaansminimum garanderen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft herhaald dat op grond van artikel 2a, derde lid, van de Regeling de winst op nihil moet worden gesteld omdat de berekening van de winst in deze zaak tot een negatief bedrag leidt. Appellant stelt verder dat sprake is van een dringende reden op grond waarvan afgezien moet worden van terugvordering. Hij wijst hierbij op de uitspraak van de Raad van 18 april 2024 [2] en het feit dat hij in 2021 niet in staat is geweest om enig inkomen te verwerven. Zijn inkomen over 2021 is ver beneden het bestaansminimum. Verder is van belang dat hij door zijn handicap auto-afhankelijk is.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de vaststelling van de WAO-uitkering over het jaar 2021 en de terugvordering van de te veel ontvangen WAO-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd; de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. De rechtbank heeft de beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. De Raad voegt daaraan het volgende toe.
5.2.
In het geval dat een betrokkene inkomsten heeft naast de WAO-uitkering, stelt het Uwv achteraf, na ontvangst van de gegevens van de Belastingdienst, de uitkering over een jaar definitief vast. Het Uwv heeft in december 2022 de inkomensgegevens van de Belastingdienst over het jaar 2021 ontvangen. In deze gegevens is de belastbare winst uit onderneming op nihil gesteld en bedraagt de ondernemingsaftrek € 5.555,-. Uit de gegevens van de boekhouder van appellant volgt dat bij de negatieve winst van € 671,- een bijtelling/fiscale correctie heeft plaatsgevonden voor het privégebruik van de auto van € 6.226,-.
5.3.
De Raad concludeert dat het Uwv het inkomen van appellant over het jaar 2021 juist heeft vastgesteld, namelijk door met toepassing van artikel 2a, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling de belastbare winst uit onderneming te vermeerderen met de ondernemersaftrek. De in 5.2 genoemde bedragen zijn niet door appellant betwist en de Regeling biedt geen mogelijkheid om het inkomen anders vast te stellen.
5.4.
Het Uwv is in beginsel op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO verplicht de te veel ontvangen WAO-uitkering van appellant terug te vorderen. Dit is alleen anders wanneer er dringende redenen zijn zoals bedoeld in artikel 57, zesde lid, van de WAO.
5.5.
In de uitspraak van 18 april 2024 [3] heeft de Raad zijn uitleg van de dringende reden verruimd, in die zin dat (ook) betekenis toekomt aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Niet alleen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij moeten alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het Uwv is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenplicht, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij te veel aan uitkering ontving. Bij het nemen van een besluit over herziening of terugvordering is het Uwv verplicht om een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn.
5.6.
De Raad is van oordeel dat het Uwv in de situatie van appellant alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden heeft meegewogen. Het Uwv heeft hierbij betrokken dat pas na ontvangst van de gegevens van de Belastingdienst het inkomen over het jaar 2021 definitief kan worden vastgesteld en dat het Uwv vrijwel direct na ontvangst van de gegevens van de Belastingdienst het besluit van 23 december 2022 heeft genomen. Verder heeft het Uwv toegelicht dat het Uwv bij de invordering rekening houdt met de actuele financiële omstandigheden en aflossingscapaciteit van appellant. Inmiddels is 2/3 van de openstaande schuld kwijtgescholden en wordt door appellant maandelijks € 140,- afgelost. Het Uwv heeft geen aanleiding hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening van de WAO-uitkering over 2021 en de terugvordering van de te veel ontvangen WAO-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en D.S. de Vries en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.

(getekend) E. Dijt

(getekend) C.M. Snellenberg

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

WAO

Artikel 44
1. Indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, wordt die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:
a. niet uitbetaald indien het inkomen zodanig is, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%; of
b. indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.
Na afloop van het in de aanhef genoemde tijdvak wordt de arbeid aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid.
[…]

Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen

Artikel 2a
1. Onder inkomen als bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, van de WAO en 58, eerste lid, van de Waz wordt verstaan:
[…]
e. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek, bedoeld in artikel 3.74 van die wet en vermeerderd met de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in artikel 3.79a van die wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, onderdelen a, b en c, van die wet, niet geacht worden te behoren tot de winst.
[…]
3. Indien de berekening van het resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, of de winst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, leidt tot een negatief bedrag, wordt het resultaat, onderscheidenlijk de winst op nihil gesteld.
[…]

Voetnoten

1.CRvB 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:572.
2.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
3.CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.