ECLI:NL:CRVB:2026:882

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
24/1457 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 ParticipatiewetArt. 18a ParticipatiewetArt. 19a ParticipatiewetArt. 22a ParticipatiewetArt. 54 Participatiewet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering bijstand en boete wegens schending inlichtingenverplichting

Appellante ontvangt sinds 2011 bijstand en stond ingeschreven op een adres X, terwijl zij feitelijk ongeveer vijf maanden bij haar zus op adres Y verbleef. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de gemeente Breda een onderzoek, waarbij bleek dat appellante haar hoofdverblijf had verplaatst zonder dit te melden, wat een schending van de inlichtingenverplichting opleverde.

Het college herzag de bijstand over de periode juni tot oktober 2021 naar de kostendelersnorm en vorderde € 6.176,24 terug. Tevens legde het college een boete van € 729,96 op. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de herziening ongegrond en vernietigde het boetebesluit, maar handhaafde de boete op grond van een lagere bewijsmaatstaf.

In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellante terecht aan haar verklaring van 25 oktober 2021 kan worden gehouden en dat er voldoende feitelijke grondslag is dat haar hoofdverblijf bij haar zus was. Het standpunt van een tijdelijk verblijf met vooropgezet karakter is niet aannemelijk gemaakt. De boete is proportioneel en terecht opgelegd. De hoger beroepen worden verworpen, waardoor de herziening, terugvordering en boete in stand blijven.

Uitkomst: De herziening en terugvordering van bijstand en de boete wegens schending van de inlichtingenverplichting worden bevestigd.

Uitspraak

24/1457 PW, 24/1458 PW, 25/960 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 april 2024, 22/4869 en 23/2846 (aangevallen uitspraak 1) en 2 april 2025, 24/5472 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellante] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)
Datum uitspraak: 30 juni 2026

SAMENVATTING

Deze zaken zien op een herziening en terugvordering van bijstand en op een boete. Daaraan ligt ten grondslag dat appellante in strijd met de inlichtingenverplichting niet heeft gemeld dat zij haar hoofdverblijf bij haar zus had. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij slechts tijdelijk verbleef op het adres van haar zus en niet haar woonadres heeft verplaatst. Appellante krijgt geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Çiçek, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het college heeft verweerschriften ingediend.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 19 mei 2026. Voor appellante is mr. Çiçek verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Hyder.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 7 januari 2011 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Zij staat ingeschreven op adres X. De zus van appellante woont in dezelfde woonplaats op adres Y.
1.2.
Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante niet op adres X woont, heeft een buitengewoon opsporingsambtenaar van het domein werk, inkomen en zorg van de gemeente Breda (opsporingsambtenaar) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat verband heeft onder meer op 25 oktober 2021 en 3 november 2021 een gesprek met appellante plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 8 november 2021.
1.3.
Met een besluit van 11 oktober 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 5 april 2023 (bestreden besluit 1), voor zover hier van belang, heeft het college de bijstand over de periode van 1 juni 2021 tot 1 november 2021 herzien naar de kostendelersnorm en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 6.176,24 van appellante teruggevorderd. Daaraan ligt, samengevat weergegeven, ten grondslag dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld dat zij in de periode van 1 juni 2021 tot en met 26 oktober 2021 haar hoofdverblijf had bij haar zus op adres Y.
1.4.
Met een besluit van 28 augustus 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 16 mei 2024 (bestreden besluit 2), heeft het college in verband met de in 1.3 genoemde schending van de inlichtingenverplichting aan appellante een boete opgelegd van € 729,96.
Uitspraken van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft met aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en daarmee dat besluit ook in stand gelaten voor zover dat ziet op de in 1.3 genoemde herziening en terugvordering.
2.2.
De rechtbank heeft met aangevallen uitspraak 2 het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, overwogen dat voor de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden volstaan met een verwijzing naar de herziening en de terugvordering omdat daarvoor een minder strenge bewijsmaatstaf geldt dan voor een boete. Omdat het college ook heeft aangetoond dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet bij het college te melden dat zij bij haar zus op adres Y haar hoofdverblijf had, blijft de boete in stand.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten over de herziening en terugvordering van bijstand en de boete in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de hoger beroepen niet slagen. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van de hoger beroepen belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Herziening en terugvordering (24/1457 PW en 24/1458 PW)
4.1.
Herziening van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval met zich dat het college aannemelijk moet maken dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij in de periode van 1 juni 2021 tot en met 26 oktober 2021 haar hoofdverblijf had op adres Y.
4.2.
Het woonadres van een betrokkene is het adres van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Als de woon- en verblijfsituatie wordt gewijzigd met een vooropgezet tijdelijk karakter wordt daarmee in beginsel niet het woonadres verplaatst. Dit geldt als de wijziging van korte duur is en verband houdt met het tijdelijk niet of niet goed kunnen bewonen van de eigen woning, bijvoorbeeld wegens een renovatie. Daarnaast is vereist dat er geen aanwijzingen zijn dat de betrokkene zich in die periode elders heeft gevestigd en de betrokkene moet na die – korte – periode in zijn/haar woning zijn teruggekeerd. Dit is vaste rechtspraak. [1]
4.3.
Appellante heeft allereerst aangevoerd dat zij niet kan worden gehouden aan haar verklaring van 25 oktober 2021, omdat zij zich toen niet goed voelde en onder druk is gezet. Ook was sprake van een taalbarrière. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.
4.3.1.
In het algemeen mag ervan worden uitgegaan dat de tegenover een toezichthouder, sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring juist is. Dit is vaste rechtspraak. [2] Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn om van dit algemene uitgangspunt af te wijken. Zo heeft appellante tijdens het gesprek op 25 oktober 2021 desgevraagd bij aanvang verklaard dat zij geen klachten heeft en dat zij in staat is om een verklaring af te leggen. Aan het einde van het gesprek heeft appellante verklaard dat zij een beetje bang was, maar correct is behandeld. In de verklaring is opgenomen dat deze in vrijheid en zonder dwang is afgelegd. Voor het oordeel dat appellante tijdens het gesprek onder druk is gezet, bestaan geen aanknopingspunten. Van een taalbarrière is de Raad evenmin gebleken. Zo heeft appellante bijvoorbeeld niet te kennen gegeven dat zij de vragen niet begreep.
4.3.2.
Het college mocht daarom uitgaan van de juistheid van de door appellante afgelegde verklaring op 25 oktober 2021 en deze aan bestreden besluit 1 ten grondslag leggen.
4.4.
Met de rechtbank is de Raad, anders dan appellante, verder van oordeel dat er voldoende feitelijke grondslag is voor het standpunt van het college dat appellante in de periode van 1 juni 2021 tot en met 26 oktober 2021 haar hoofdverblijf had bij haar zus op adres Y. Hiervoor is vooral van belang de verklaring die appellante op 25 oktober 2021 tegenover de opsporingsambtenaar heeft afgelegd. Op de vraag of het klopt dat appellante – zoals zij eerder in het gesprek heeft verklaard – vanuit haar eigen woning op adres X met de bus naar het gesprek is gekomen, heeft zij als volgt geantwoord:
“Het klopt. Ik ben een beetje stout. Ik rijd in de auto die op naam staat van mijn
zus. De situatie is als volgt. Sinds ongeveer 5 maanden woon ik bij mijn zus en mijn
dochter woont op mijn adres. Dit is zo gekomen omdat ik depressief was/ben en ik
van de GGZ niet alleen mocht zijn. Daarnaast heeft mijn dochter een burn-out en die
moest juist alleen zijn en zo weinig mogelijk prikkels van buitenaf krijgen. Wij
hebben besloten om het zo te regelen dat ik bij mijn zus in de woning ga verblijven
en mijn dochter in de woning van mij. Het is de bedoeling dat ik op termijn terug ga
naar mijn eigen woning. Ik ben bij mijn zus, omdat ik hulp krijg van haar”.
4.5.
Anders dan appellante heeft betoogd, heeft het college haar verblijf bij haar zus op adres Y terecht niet aangemerkt als een tijdelijk verblijf in de zin van 4.2. Appellante heeft haar standpunt dat sprake was van een tijdelijk verblijf met een vooropgezet karakter niet aannemelijk gemaakt. Hierbij is van belang dat zij op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat zij haar woon- en verblijfsituatie met een vooropgezet tijdelijk karakter had gewijzigd. Appellante verbleef ten tijde van het onderzoek al ongeveer vijf maanden bij haar zus op adres Y. Ten tijde van het gesprek op 25 oktober 2021 was bovendien nog geen concreet zicht op een terugkeer naar de eigen woning. Appellante heeft tijdens dat gesprek immers verklaard dat het de bedoeling is dat zij op termijn teruggaat naar haar eigen woning. Dat appellante twee dagen na dat gesprek wel weer naar de woning op adres X is teruggekeerd, lijkt slechts voort te vloeien uit dat gesprek en geen verband te houden met een vooropgezet tijdelijk verblijf bij haar zus.
Boete (25/960 PW)
4.6.
Gelet op wat is overwogen in 4.4 en 4.5 heeft het college ook aangetoond dat appellante haar hoofdverblijf had op adres Y en dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door dit niet te melden. Appellante kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Het college was daarom verplicht een boete op te leggen. De opgelegde boete van € 729,96 is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellante gebleken omstandigheden.
Conclusie en gevolgen
5. De hoger beroepen slagen dus niet. Aangevallen uitspraak 1 wordt bevestigd en aangevallen uitspraak 2 wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat zowel de herziening en terugvordering van bijstand als de boete in stand blijven.
6. Omdat de hoger beroepen niet slagen, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt aangevallen uitspraak 1;
  • bevestigt aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en E.J.M. Heijs en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) J. Bonnema

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Artikel 18a, eerste lid
Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, tweede lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Artikel 19a, eerste lid
In deze paragraaf wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 27 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft (…)
Artikel 22a, eerste lid
Indien de belanghebbende van 21 jaar of ouder een of meer kostendelende medebewoners heeft, is de norm per kalendermaand voor de belanghebbende:
(40% + A x 30%)
_______________ x B
A
Hierbij staat:
  • A voor het aantal kostendelende medebewoners plus de belanghebbende en zijn echtgenoot van 21 jaar of ouder indien hij gehuwd is; en
  • B voor de norm, bedoeld in artikel: (…)
Artikel 54, derde lid, eerste volzin
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2865.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512.