ECLI:NL:CRVB:2026:894

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
25/756 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij weigering persoonsgebonden budget

Betrokkene ontving zorg in natura op grond van de Wet langdurige zorg en vroeg om omzetting naar een persoonsgebonden budget (pgb) met ingang van mei 2021. Het zorgkantoor weigerde het pgb vanwege onvolledige aanvraagstukken en twijfels over de uitvoering van de zorg door de gewaarborgde hulp.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond. Appellanten, de erven van betrokkene, gingen in hoger beroep omdat zij van mening waren dat het zorgkantoor ten onrechte het pgb had geweigerd.

De Centrale Raad van Beroep stelde ambtshalve vast dat appellanten geen procesbelang hadden bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. De nalatenschap van betrokkene bevatte geen baten, alleen schulden, waardoor een gunstige uitspraak geen feitelijke betekenis zou hebben.

Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en kwam niet toe aan de inhoudelijke beoordeling. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/756 WLZ
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 maart 2025, 22/5112 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de erven van [betrokkene] (betrokkene) te [woonplaats] (appellanten)
Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V. (zorgkantoor)
Datum uitspraak: 2 juli 2026

SAMENVATTING

Het hoger beroep is niet-ontvankelijk, omdat appellanten geen procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. Ouwerkerk-Hoogendonk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellanten is verschenen [naam zoon] (zoon van betrokkene), bijgestaan door mr. OuwerkerkHoogendonk. Het zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Olaniyi.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene, geboren in 1950 en overleden op [datum] 2022, ontving zorg in natura op grond van de Wet langdurige zorg.
1.2.
Op 14 juni 2021 heeft het zorgkantoor een omzettingsformulier ontvangen om alle zorg in natura per 26 mei 2021 om te zetten in een persoonsgebonden budget (pgb), alsmede een verklaring gewaarborgde hulp. [naam zoon] treedt op als de gewaarborgde hulp.
1.3.
Op 14 augustus 2021 heeft betrokkene een aanvraag ingediend voor een pgb met ingang van 26 mei 2021 ter hoogte van € 95.761,12 voor zorg door formele en informele zorgverleners. Ook is een aanvraag voor extra kosten thuis (EKT) ingediend. Omdat het ontvangen budgetplan het beschikbare budget ver overschrijdt, heeft het zorgkantoor verzocht om een weekoverzicht. Daarnaast ontbreken de zorgovereenkomsten met de zorgverleners.
1.4.
Met het besluit van 20 september 2021 heeft het zorgkantoor geweigerd een pgb te verlenen omdat het EKT-formulier niet volledig is ingevuld en omdat de gevraagde stukken niet zijn ingeleverd.
1.5.
Met het bestreden besluit van 19 september 2022 heeft het zorgkantoor het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 20 september 2021 ongegrond verklaard. Tijdens de bezwaarprocedure zijn twijfels ontstaan of de gewaarborgde hulp in staat is de aan het pgb verbonden taken en verplichtingen op een verantwoorde wijze uit te voeren en of de zorg op een doelmatige manier wordt ingezet.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft, kort samengevat en voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij vinden dat het zorgkantoor ten onrechte geen pgb heeft verleend.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of appellanten procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden. [1]
4.2.
Appellanten hebben aangevoerd dat het voor hen van belang is om geen of zo min mogelijk schulden te hebben. Die schulden moeten worden voldaan uit de nalatenschap. Mocht er dan nog iets overblijven dan kan dit onder appellanten worden verdeeld.
4.3.
Vast staat dat de nalatenschap beneficiair is aanvaard door appellanten. Ter zitting is namens appellanten verklaard dat bij het overlijden van betrokkene niets is nagelaten en dat de nalatenschap dus geen baten bevat. Wel is er een factuur van MEM Thuiszorg van € 11.500,- voor aan betrokkene verleende zorg. Die factuur is niet betaald. Ter zitting is namens appellanten verder verklaard dat ook PZP Health Care en een aantal informele zorgverleners zorg hebben verleend, maar dat hiervan geen declaraties of facturen beschikbaar zijn.
4.4.
De Raad is van oordeel dat appellanten niet over het vereiste procesbelang beschikken. De nalatenschap omvat geen baten. De onderhavige procedure kan daaraan niets veranderen. Als het pgb alsnog verleend zou worden, kan daaruit, voor zover aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan, alleen de verleende zorg worden betaald tot het bedrag van het maximaal beschikbare pgb. Deze betalingen kunnen hooguit leiden tot een situatie dat de nalatenschap geen of minder schulden omvat, maar, omdat er geen baten zijn, nooit tot een situatie waarin de baten van de nalatenschap de schulden overtreffen. Dit betekent dat de uitkomst van het hoger beroep voor de erven feitelijk geen betekenis kan hebben. [2]

Conclusie en gevolgen

4.5.
Uit het voorgaande volgt dat appellanten geen procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Dit betekent dat de Raad niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders als voorzitter en C.W.C.A. Bruggeman en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) A.A. Verweij

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.
2.Vergelijk de uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8626.