ECLI:NL:CRVB:2026:903

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
24/1896 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wet WIAArt. 16 DagloonbesluitArt. 13 DagloonbesluitArt. 17 Wet financiering sociale verzekeringen
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling WIA-dagloon ondanks betwisting eerste ziektedag en medische afzakker

Appellant betwistte de vaststelling van het WIA-dagloon door het UWV, stellende dat de eerste ziektedag onjuist was vastgesteld en dat sprake was van een medische afzakker, waardoor het dagloon op basis van een eerder hoger loon had moeten worden berekend. Tevens voerde appellant aan dat het besluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel.

De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, stellende dat het besluit van 20 september 2018 waarbij de Ziektewet-uitkering werd beëindigd, in rechte onaantastbaar was en niet evident onjuist. De Raad onderschreef deze overwegingen en concludeerde dat er geen reden was om terug te komen op dit besluit. Ook het beroep op de medische afzakker faalde, omdat de rechtspraak geen analoge toepassing van dit begrip op het dagloon toelaat.

De Raad oordeelde dat het UWV het dagloon correct had berekend volgens de wettelijke bepalingen, waarbij 5 februari 2021 als eerste ziektedag werd gehanteerd. Het lagere loon bij de latere werkgever maakte het besluit niet onredelijk bezwarend. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het dagloon van € 87,08 voor de IVA-uitkering blijft ongewijzigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1896 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 15 juli 2024, 24/601 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv het dagloon voor de aan appellant per 3 februari 2023 toegekende IVA-uitkering juist heeft vastgesteld. Volgens appellant is het dagloon te laag vastgesteld omdat het Uwv uitgaat van een onjuiste eerste ziektedag en hierdoor van een onjuiste referteperiode. Verder heeft appellant aangevoerd dat in zijn geval sprake is van een zogenoemde ‘medische afzakker’, op grond waarvan het dagloon moet worden vastgesteld op basis van het loon uit een eerder dienstverband. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De Raad volgt deze standpunten van appellant niet en komt tot de conclusie dat het Uwv het dagloon voor de IVA-uitkering per 3 februari 2023 juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift en een nadere reactie ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 mei 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. V.C.D. Klaassen, kantoorgenoot van mr. Beelaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant is van 17 maart 2010 tot en met 31 juli 2017 werkzaam geweest als assistent filiaalmanager voor gemiddeld ongeveer 38 uur per week bij [naam B.V.] ( [naam B.V.] ). Aansluitend heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Naar aanleiding van een ziekmelding per 30 oktober 2017 heeft het Uwv appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Na een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) is de ZW-uitkering van appellant bij besluit van 20 september 2018 per 30 november 2018 beëindigd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Appellant heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt zodat het besluit van 20 september 2018 in rechte onaantastbaar is geworden.
1.2.
Van 12 maart 2019 tot 12 december 2020 is appellant werkzaam geweest bij [bedrijf] ( [bedrijf] ) als assistent-manager groenteafdeling voor 32 uur per week. Het Uwv heeft appellant per 12 december 2020 een WW-uitkering toegekend. Op 5 februari 2021 heeft appellant zich ziekgemeld vanuit de WW. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft het Uwv appellant per 7 mei 2021 een ZW-uitkering toegekend. Na het volbrengen van de wettelijke wachttijd van 104 weken heeft het Uwv appellant bij besluit van 31 januari 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 3 februari 2023. Daarbij is geoordeeld dat appellant volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Het dagloon voor de WIAuitkering is vastgesteld op € 87,08. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 30 januari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en het besluit van 31 januari 2023 herroepen. Het Uwv heeft aan appellant per 3 februari 2023 een uitkering op grond van de inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering) toegekend. Daarbij is het dagloon ongewijzigd gebleven. Hieraan ligt een rapport van 18 januari 2024 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. Naar aanleiding van het standpunt van appellant dat het besluit van 20 september 2018 evident onjuist is, heeft het Uwv een verzekeringsarts bezwaar en beroep laten beoordelen of de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in 2018 evident onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 18 januari 2024 geconcludeerd dat dit niet het geval is.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant heeft aangevoerd dat de WIA-beoordeling per een eerdere datum had moeten plaatsvinden omdat zijn ZW-uitkering in 2018 ten onrechte is beëindigd. De rechtbank heeft voorop gesteld dat het besluit van 20 september 2018 waarbij de ZW-uitkering van appellant is beëindigd per 30 november 2018, in rechte onaantastbaar is geworden. Om hiervan terug te kunnen komen, moeten nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren worden gebracht. Zijn er geen nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden, dan kan de bestuursrechter desondanks aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het evident onredelijk is om niet terug te komen van het besluit. [1] Appellant heeft niet betwist dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Volgens appellant is het besluit van 20 september 2018 evident onjuist. Hiertoe heeft appellant verwezen naar het rapport van 18 januari 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep waarin de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconstateerd dat appellant sinds 2014 kampt met handklachten, die sindsdien niet zijn verminderd. Hieruit blijkt volgens appellant dat er in 2018 ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen wegens zijn handklachten, zoals wel is gebeurd bij de WIA-beoordeling per 3 februari 2023.
2.2.
De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat het besluit van 20 november 2018, gelet op zijn onverminderde handklachten, evident onjuist is. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 18 januari 2024 weliswaar heeft overwogen dat de hand sinds 2014 in deze staat is, maar anders dan appellant heeft betoogd, is hieruit niet af te leiden dat moet worden uitgegaan van een ongewijzigd klachtenbeeld sinds 2014. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in hetzelfde rapport toegelicht dat uit de aanwezige medische informatie volgt dat sprake is geweest van meerdere handfracturen, waarvan de laatste in 2014, maar dat uit de opgetekende doktersbezoeken niet blijkt dat sindsdien is gesproken over functioneringsproblemen aan de rechterhand. Appellant heeft voor het eerst in juni 2022 tijdens een telefonisch consult met een verzekeringsarts van het Uwv gesproken over ernstige beperkingen aan zijn rechterhand. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is hiermee sprake van een discrepantie tussen de recent aangegeven klachten en de hulpvraag in de jaren na 2014. De rechtbank heeft deze conclusie navolgbaar geacht. Nu het besluit van 20 november 2018 niet evident onjuist is gebleken, acht de rechtbank het niet evident onredelijk om hier niet van terug te komen. Dit betekent dat er geen reden is om appellant doorlopend arbeidsongeschikt te achten sinds zijn eerdere ziekmelding in 2017.
2.3.
Over de hoogte van de WIA-uitkering heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat het Uwv het dagloon heeft berekend op de wijze zoals voorgeschreven in artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit). Appellant heeft aangevoerd dat het Uwv dit artikellid niet had mogen toepassen, omdat dit voor hem onevenredig nadelige gevolgen heeft. Nu niet is gebleken dat de beëindiging van de ZW-uitkering in 2018 evident onjuist is, heeft de rechtbank appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat hij als gevolg daarvan op een onevenredige wijze is benadeeld. De rechtbank komt tot de conclusie dat het Uwv de hoogte van het WIA-dagloon juist heeft vastgesteld.
Het standpunt van appellant
3. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat het besluit om de ZWuitkering te beëindigen per 30 november 2018 evident onjuist is, en dat hij doorlopend arbeidsongeschikt is vanaf 30 oktober 2017. Dit betekent dat het Uwv moet uitgaan van 30 oktober 2017 als eerste ziektedag, waardoor de referteperiode voor de vaststelling van het WIA-dagloon wijzigt. Subsidiair heeft appellant aangevoerd dat het WIA-dagloon onjuist is vastgesteld omdat het Uwv daarbij ten onrechte is uitgegaan van het loon dat appellant heeft verdiend bij [bedrijf] . Volgens appellant is sprake van een zogenoemde ‘medische afzakker’ omdat hij na de beëindiging van de ZW-uitkering per 30 november 2018 om medische redenen aan het werk is gegaan in een lager betaalde baan bij [bedrijf] . [2] Daarom moet voor de vaststelling van het WIA-dagloon worden uitgegaan van het loon dat appellant heeft verdiend bij [naam B.V.] . Tot slot heeft appellant aangevoerd dat het bestreden besluit voor hem onevenredig nadelige gevolgen heeft omdat de strikte toepassing van artikel 16 van Pro het Dagloonbesluit heeft geleid tot een uitkomst die niet in verhouding staat tot het verzekerde loonverlies
.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen. In aanvulling op het rapport van 18 januari 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv erop gewezen dat appellant op een vragenlijst die hij heeft ingevuld voorafgaand aan de EZWb in 2018, geen melding heeft gemaakt van handklachten.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de hoogte van de IVA-uitkering per 3 februari 2023 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.2.
Niet in geschil is dat het Uwv, uitgaande van 5 februari 2021 als eerste ziektedag, het WIA-dagloon heeft berekend in overeenstemming met de daarvoor geldende bepalingen in de Wet WIA en het Dagloonbesluit. Ter beoordeling ligt voor of appellant terecht heeft aangevoerd dat de referteperiode voor het dagloon anders moet worden vastgesteld omdat het Uwv terug moet komen van het besluit waarbij zijn ZW-uitkering is beëindigd per 30 november 2018. Ten tweede moet worden beoordeeld of, voor de vaststelling van het dagloon moet worden uitgegaan van het loon dat appellant verdiende bij [naam B.V.] . Tot slot ligt ter beoordeling voor of het Uwv in het geval van appellant van de voorgeschreven berekeningswijze voor het WIA-dagloon had moeten afwijken, omdat dit leidt tot een onevenredige uitkomst.
5.3.1.
Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat het besluit van 20 september 2018 waarbij zijn ZW-uitkering per 30 november 2018 is beëindigd, evident onjuist is. Ter zitting bij de Raad heeft appellant toegelicht dat het voor de verzekeringsarts in 2018 zonder meer duidelijk had moeten zijn dat hij beperkingen heeft aan zijn rechterhand aangezien deze meerdere keren is gebroken, laatstelijk in 2014. Dit is zichtbaar, en ook voelbaar bij het handen schudden. Omdat het Uwv bij de beoordeling in 2018 geen beperkingen heeft aangenomen voor de handklachten van appellant, is het besluit van 20 september 2018 volgens appellant evident onjuist.
5.3.2.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het besluit van 20 november 2018 niet evident onjuist is, en dat het daarom niet evident onredelijk is om hier niet van terug te komen. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank hieraan ten grondslag heeft gelegd, worden onderschreven. Hieraan wordt toegevoegd dat het Uwv in het verweerschrift in hoger beroep er terecht op heeft gewezen dat appellant op een medische vragenlijst die hij op 20 augustus 2018 voorafgaand aan de EZWb heeft ingevuld, geen melding heeft gemaakt van handklachten.
5.4.
De beroepsgrond van appellant dat het dagloon hoger moet worden vastgesteld omdat hij als een medische afzakker moet worden aangemerkt, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak is er geen ruimte voor een analoge toepassing van de rechtspraak over de medische afzakker in het kader van het dagloon. [3] De vraag of appellant moet worden aangemerkt als een medische afzakker, kan daarom onbesproken blijven.
5.5.1.
Over het beroep van appellant op het evenredigheidsbeginsel wordt het volgende overwogen. Met het bestreden besluit heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 13, eerste lid, en artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit. Dit betekent dat het bestreden besluit berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin. Daarom moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het geval van appellant tot een onevenredige uitkomst leidt. Hiervan is sprake als het besluit in de gegeven omstandigheden voor appellant onredelijk bezwarend is. [4]
5.5.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door appellant gestelde omstandigheden niet maken dat het bestreden besluit voor hem onredelijk bezwarend is. Het oordeel van de rechtbank en de hieraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat hij hierdoor op een onevenredige wijze is benadeeld. Aangezien het Uwv de eerste ziektedag terecht heeft vastgesteld op 5 februari 2021, is het WIA-dagloon representatief voor het inkomen dat appellant genoot voorafgaand aan deze datum. Dat dit loon lager is dan het loon dat appellant eerder verdiende bij [naam B.V.] , maakt niet dat sprake is van een onredelijk bezwarend besluit.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Uit 5.2 tot en met 5.5.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de vaststelling van het dagloon op € 87,08 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling als voorzitter en J.H. Ermers en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van C.C.T. Yao als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) C.C.T. Yao

Bijlage: relevante wettelijke regels

Wet WIA
Artikel 13, eerste lid
Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
Dagloonbesluit
Artikel 13, eerste lid
Onder referteperiode wordt in dit hoofdstuk de periode verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.
Artikel 16, eerste lid
Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261.

Voetnoten

1.Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 4 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1349.
2.Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 28 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2938.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad 1 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1456.
4.Zie ook de uitspraak van het CBb van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, r.o. 8.2.