ECLI:NL:CRVB:2026:909

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
24/1870 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroepen wegens te late indiening tegen besluiten bijzondere bijstand

Appellante had bezwaar gemaakt tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Den Helder betreffende de afwijzing en intrekking van bijzondere bijstand. Deze bezwaren werden niet-ontvankelijk verklaard door het college omdat zij niet tijdig waren ingediend. Appellante stelde hoger beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.

De rechtbank bevestigde de niet-ontvankelijkheid omdat het beroepschrift pas op 23 januari 2023 werd ontvangen, terwijl de beroepstermijn op 5 januari 2023 was geëindigd. Appellante en haar gemachtigde voerden aan dat er een bindende afspraak was dat besluiten ook per gewone post zouden worden verzonden en dat de termijn daardoor niet redelijk was verlopen. Ook werd gesteld dat het college bewust de termijn had laten verlopen om het recht op een eerlijk proces te frustreren.

De Raad oordeelde dat de besluiten rechtsgeldig op 23 november 2022 aangetekend waren verzonden en dat de beroepstermijn correct was gestart op 24 november 2022. Er was geen bindende afspraak over toezending per gewone post en de termijnoverschrijding kon niet worden toegerekend aan het college. De gemachtigde had voldoende tijd om tijdig beroep in te stellen en had dit niet tijdig gedaan. Er waren geen bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakten.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De bestreden besluiten blijven in stand en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De beroepen van appellante tegen de besluiten over bijzondere bijstand zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

24/1870 PW, 25/2451 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 24 juni 2024, 23/842 en 23/849 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Helder (college)
Datum uitspraak: 30 juni 2026

SAMENVATTING

In deze zaken gaat het over de vraag of de rechtbank terecht de beroepen van appellante niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad komt tot het oordeel dat dit het geval is.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld.
De meervoudige kamer heeft de zaken verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 19 mei 2026. Voor appellante is [gemachtigde] verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.B. Holtjer-van Slooten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Het college heeft met een besluit van 11 januari 2021 de aanvraag van appellante van 29 september 2020 om algemene bijstand afgewezen op de grond dat zij jonger is dan 21 jaar en in een inrichting verblijft. Met hetzelfde besluit is appellante op grond van persoonlijke omstandigheden periodiek bijzondere bijstand toegekend met ingang van 29 september 2020. Met een besluit van 11 juni 2021 heeft het college de bijzondere bijstand beëindigd per 11 juni 2021 en ingetrokken met ingang van 1 januari 2021.
1.2.
Met twee afzonderlijke besluiten van 23 november 2022 (de bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 11 januari 2021 en 11 juni 2021 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaarschriften niet tijdig zijn ingediend. Appellante heeft tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank onder andere overwogen dat de dagtekening van de bestreden besluiten 23 november 2022 is en dat de termijn voor het indienen van de beroepschriften eindigde op 4 januari 2023. Het beroepschrift tegen de bestreden besluiten is via ‘veilig mailen’ door de rechtbank ontvangen op 23 januari 2023. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. De rechtbank stelt in de aangevallen uitspraak vast dat gemachtigde naar eigen zeggen op 12 december 2022 heeft kennisgenomen van de bestreden besluiten en dat de termijn eindigde op 4 januari 2023, zodat de tussenliggende periode 24 dagen besloeg. De gemachtigde heeft daarmee voldoende gelegenheid gehad om het beroepschrift tijdig in te dienen en desgewenst juridisch advies in te winnen. De door de gemachtigde gestelde afspraak met het college over de toezending van de besluiten aan hem per gewone post brengt daarin geen verandering. Ook de door de gemachtigde genoemde omstandigheid dat er feestdagen gelegen waren in de tussenliggende periode maakt het oordeel niet anders. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de beroepen tegen de bestreden besluiten niet-ontvankelijk heeft verklaard aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Appellante voert aan dat er situaties zijn dat een beroepstermijn gaat lopen op het moment dat de stukken daadwerkelijk aantoonbaar in het bezit van de geadresseerde gekomen zijn. Daar zou jurisprudentie over zijn. De termijn is niet overschreden dan wel in redelijkheid en billijkheid verschoonbaar door verwijtbaar handelen van het college. Ter zitting in beroep is naar voren gekomen dat de gemachtigde en het college een bindende afspraak hadden dat alle post aangaande deze zaak naast aangetekende post per reguliere post (of e-mail) aan gemachtigde zou worden verstuurd. De bezwaarschriftencommissie heeft daar wel gevolg aan gegeven. Gemachtigde ging er daardoor vanuit dat het college op dezelfde wijze met het recht op tijdige ontvangst om zou gaan. Gemachtigde heeft ondanks de korte termijn wél per reguliere post de stukken verzonden om zeker te zijn dat de stukken tijdig aan zouden komen. Hierbij wordt ook voorbij gegaan aan de informatie die gemachtigde bij het nabellen van de griffie van de rechtbank ontvangen heeft. In alle stukken legt gemachtigde uit dat hij vanwege werk veelvuldig gedurende periodes van circa twee weken in het buitenland verbleef. Daardoor was de bindende afspraak dat correspondentie op zodanige wijze aan gemachtigde werd toegezonden dat hij voldoende tijd heeft om binnen de gestelde termijn inhoudelijk te kunnen reageren. Het college heeft een en ander opzettelijk gedaan in de hoop dat gemachtigde de stukken pas na de feestdagen in handen zou krijgen. Het college heeft mogelijk bewust en opzettelijk getracht het recht op een eerlijk proces te ontnemen. Daardoor en gezien het overige zou enige eventuele termijnoverschrijding verschoonbaar moeten zijn. Deze beroepsgronden slagen niet. Hiervoor is het volgende van belang.
4.1.1.
In artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt. Deze termijn gaat in op de dag nadat het besluit op bezwaar aan partijen is bekendgemaakt. Dat volgt uit artikel 6:8 van Pro de Awb. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Deze regels staan in artikel 6:9 van Pro de Awb.
4.1.2.
In een uitspraak van 30 januari 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven nieuwe uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van termijnoverschrijdingen in bestuursrechtelijke procedures. [1] De Raad heeft zich aangesloten bij deze rechtspraak en die geheel overgenomen. [2] In hoofdlijnen, verkort weergegeven en voor zover hier van belang, komen de nieuwe uitgangspunten op het volgende neer.
4.1.3.
Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Bij de toepassing van dit artikel moeten, naast toegang tot de rechter, ook de rechtszekerheid, voorspelbaarheid en rechtsgelijkheid worden betrokken. Dat geldt ook voor het belang van een goed uitvoerbare bestuurspraktijk en een efficiënte rechtspleging. Belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, zijn bij die beoordeling niet relevant.
4.1.4.
Beoordeeld moet worden of het niet tijdig indienen van het beroepschrift niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarvan is sprake als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, als deze is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook als sprake is van een andere reden die tot die overschrijding heeft geleid.
4.1.5.
Bij de beoordeling van de verschoonbaarheid in geval van een beroep op bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Dit betekent dat alle omstandigheden van het geval in hun samenhang moeten worden bezien. Als zich bijzondere omstandigheden voordoen, moet de indiener minder snel worden tegengeworpen dat deze zaken had kunnen organiseren om termijnoverschrijding te voorkomen. Als onderdeel van de contextuele benadering kan bij de beoordeling van de vraag naar de toerekening aandacht worden besteed aan de hoedanigheid van de indiener, of de indiener zich heeft laten bijstaan door een rechtshulpverlener of andere derde, de omvang van de termijnoverschrijding, de partijconstellatie en de positie van het bestuursorgaan.
4.1.6.
In alle situaties waarin de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend, moet worden beoordeeld of het beroepschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. In gevallen waarin een belanghebbende (de geadresseerde van het besluit of een derde) pas kennis neemt van een op correcte wijze bekendgemaakt besluit als de beroepstermijn al geheel of grotendeels is verstreken en de belanghebbende ook niet eerder kennis kón nemen van het besluit, is tot nu toe de lijn gevolgd dat die belanghebbende met het maken van bezwaar of het instellen van beroep in ieder geval niet verwijtbaar te laat is als hij dat doet binnen twee weken nadat hij te weten is gekomen dat een besluit is genomen dat zijn belangen kan raken. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan ook een later gemaakt bezwaar of ingesteld beroep als niet verwijtbaar te laat worden aangemerkt. In de rechtspraak wordt voor deze gevallen voortaan een termijn van zes weken gehanteerd waarbinnen de belanghebbende met het maken van bezwaar of het instellen van beroep in ieder geval niet verwijtbaar te laat is.
4.1.7.
Niet in geschil is dat het college de bestreden besluiten op 23 november 2023 aangetekend naar het postadres van gemachtigde heeft verzonden. Anders dan gemachtigde stelt blijkt uit het dossier niet dat er een bindende afspraak met het college is gemaakt over de toezending van besluiten per gewone post of per e-mailbericht. Het college heeft dit ook ontkend. Uit het dossier blijkt alleen dat gemachtigde in zijn correspondentie aan het college verzoekt om toezending van correspondentie aan hem per gewone post. Hieruit volgt dat de bestreden besluiten op de juiste wijze bekend zijn gemaakt en dat de beroepstermijn is gaan lopen op 24 november 2022 en eindigde op 5 januari 2023. Dat gemachtigde, zoals hij in beroep heeft verklaard, pas op 12 december 2022 kennis heeft kunnen nemen van de bestreden besluiten maakt, gelet op voorgaande, niet dat de beroepstermijn pas op 12 december 2022 is gaan lopen. Het had op de weg van gemachtigde gelegen om de afhandeling van ontvangst van aangetekende post in zijn hoedanigheid van gemachtigde goed te regelen, en niet uitsluitend de afhandeling van ontvangst van gewone post. Gemachtigde had bijvoorbeeld een machtiging kunnen geven aan een derde om zijn aangetekende post af te halen. De stelling van gemachtigde dat er door een medewerker van de griffie van de rechtbank tijdens een telefoongesprek zou zijn gezegd dat de beroepstermijn pas gaat lopen wanneer de bestreden besluiten zijn ontvangen, is niet onderbouwd. Op geen enkele wijze is te verifiëren wat er daadwerkelijk is gezegd tijdens het telefoongesprek.
4.1.8.
Verder is niet gebleken dat gemachtigde niet in staat was om tijdig beroep in te stellen. Gemachtigde heeft op 12 december 2022 kennisgenomen van de bestreden besluiten en de beroepstermijn eindigde op 5 januari 2023, zodat er nog 24 dagen over waren om beroep in te stellen binnen de beroepstermijn. Gemachtigde stelt zich op het standpunt dat hij op 2 januari 2023 het beroepschrift heeft ingediend. Dit standpunt staat haaks op het standpunt van gemachtigde dat hij onvoldoende tijd had om tijdig beroep in te stellen. Daarmee heeft hij dus erkend dat hij wel in staat was tijdig beroep in te stellen. Verder heeft gemachtigde niet nader onderbouwd met bewijsstukken dat zijn beroepschrift op 2 januari 2023 per gewone post is verzonden aan de rechtbank. De gevolgen van het verzenden per gewone post komen dan ook voor rekening van gemachtigde. Er moet dan ook vanuit worden gegaan dat gemachtigde op 23 januari 2023 voor het eerst beroep heeft ingesteld tegen de bestreden besluiten en daarmee te laat beroep heeft ingesteld.
4.1.9.
Er is, gelet op voorgaande, geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Conclusie en gevolgen

4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat de bestreden besluiten, waarbij het college de bezwaren niet-ontvankelijk heeft verklaard, in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte in tegenwoordigheid van A.T. Dannenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.T. Dannenberg

Voetnoten

2.Zie de uitspraken van 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:932, ECLI:NL:CRVB:2024:935 en ECLI:NL:CRVB:2024:972.