ECLI:NL:CRVB:2026:911
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij beëindiging pgb Wmo 2015
Appellant, met psychische en lichamelijke aandoeningen, kreeg op grond van de Wmo 2015 een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor de periode van 14 juni 2021 tot 11 juni 2023. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam beëindigde het pgb per 1 januari 2022 vanwege het ontbreken van een goedgekeurde zorgovereenkomst en het niet-gebruik van het pgb sinds die datum.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit, waarbij zij oordeelde dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor het pgb en dat het college een gegronde reden had voor de beëindiging.
Appellant ging in hoger beroep, stellende dat het besluit niet zorgvuldig was voorbereid en voor hem onevenredig nadelige gevolgen had. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant geen procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, omdat de oorspronkelijke pgb-periode was verstreken, er geen aanwijzingen waren voor geleden schade, en het college had toegezegd de intrekking niet tegen appellant te zullen gebruiken bij toekomstige aanvragen.
Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.