ECLI:NL:CRVB:2026:911

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
24/2238 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.6 Wmo 2015Art. 2.3.10 Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij beëindiging pgb Wmo 2015

Appellant, met psychische en lichamelijke aandoeningen, kreeg op grond van de Wmo 2015 een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor de periode van 14 juni 2021 tot 11 juni 2023. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam beëindigde het pgb per 1 januari 2022 vanwege het ontbreken van een goedgekeurde zorgovereenkomst en het niet-gebruik van het pgb sinds die datum.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit, waarbij zij oordeelde dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor het pgb en dat het college een gegronde reden had voor de beëindiging.

Appellant ging in hoger beroep, stellende dat het besluit niet zorgvuldig was voorbereid en voor hem onevenredig nadelige gevolgen had. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant geen procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, omdat de oorspronkelijke pgb-periode was verstreken, er geen aanwijzingen waren voor geleden schade, en het college had toegezegd de intrekking niet tegen appellant te zullen gebruiken bij toekomstige aanvragen.

Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2238 WMO15
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, van 20 augustus 2024, 23/2054 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 2 juli 2026
SAMENVATTING
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk omdat appellant geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 mei 2026. Voor appellant is mr. Kaya verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Hielkema.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1980, heeft psychische en lichamelijke aandoeningen. Met een besluit van 14 juni 2021 heeft het college op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) aan appellant een Wmo-arrangement ‘GGZ MO extramuraal Pgb Informeel’ toegekend voor de periode 14 juni 2021 tot en met 11 juni 2023.
1.2.
Met het besluit van 27 juni 2022 heeft het college het persoonsgebonden budget (pgb) per 1 januari 2022 beëindigd. Het college heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit met een besluit van 9 februari 2023 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat niet kan worden vastgesteld of het pgb doel- en rechtmatig is gebruikt. Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat sinds 1 januari 2022 een goedgekeurde zorgovereenkomst ontbreekt en appellant sinds die datum geen gebruik meer heeft gemaakt van het pgb.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank is sprake van procesbelang omdat niet is uitgesloten dat appellant in de toekomst opnieuw pgb zal aanvragen. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant niet voldeed aan de eisen die aan het pgb worden gesteld door geen inzicht te geven in zijn situatie en de besteding van het pgb. Daarnaast blijkt volgens de rechtbank uit de stukken dat appellant op de hoogte was dat een geldige zorgovereenkomst moest worden ingediend en dat het wijzigingsformulier dat was aangeleverd moest worden aangepast. Appellant heeft volgens de rechtbank niet betwist dat hij vanaf 1 januari 2022 geen gebruik meer heeft gemaakt van het pgb. Het college had volgens de rechtbank dan ook een gegronde reden om het pgb met terugwerkende kracht te beëindigen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft kort gezegd aangevoerd dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en voor hem onevenredig nadelige gevolgen heeft.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad komt tot het oordeel dat appellant geen procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
4.1.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden. [1]
4.2.
De periode waarvoor het pgb oorspronkelijk is verleend is verstreken. Niet is gebleken dat appellant kosten heeft gemaakt, dan wel dat voor hem een betalingsverplichting is ontstaan. De Raad acht het daarom op voorhand onaannemelijk dat appellant schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit.
4.3.
Gelet op het bepaalde in artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015, zou nog procesbelang kunnen zijn gelegen in eventuele toekomstige aanvragen voor een pgb. Het college kan een pgb immers weigeren indien het eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10, eerste lid, onderdeel a, d en e, van de Wmo 2015. [2] Ter zitting is namens het college echter onvoorwaardelijk en zonder voorbehoud toegezegd dat de onderhavige intrekking van het pgb niet aan appellant zal worden tegengeworpen bij de beoordeling van een toekomstige aanvraag van een pgb. Hierdoor valt niet in te zien dat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit voor appellant nog van belang kan zijn voor een toekomstige periode.

Conclusie en gevolgen

4.5.
Uit 4.2 en 4.3 volgt dat appellant geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders als voorzitter en C.W.C.A. Bruggeman en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
(getekend) K.H. Sanders
(getekend) A. A. Verweij

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.
2.Zoals in de uitspraak van 1 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1355.