ECLI:NL:CRVB:2026:929
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens exploitatie hennepkwekerij
Appellant ontving bijstand sinds september 2020 en verbleef van september 2021 tot februari 2022 in het buitenland. Op 1 februari 2022 trof de politie een hennepkwekerij met 173 planten aan in de door appellant gehuurde woning. Het college herzag daarop het recht op bijstand over de periode van september 2020 tot oktober 2021 en vorderde €19.368,22 terug wegens onrechtmatige bijstand.
Appellant stelde dat de hennepkwekerij buiten zijn medeweten was geëxploiteerd tijdens zijn verblijf in het buitenland en dat voorafgaand aan zijn vertrek geen kwekerij aanwezig was. Hij bracht verklaringen in van een fysiotherapeut en een netbeheerder ter onderbouwing. De Raad achtte deze niet geloofwaardig en baseerde zich op het ontnemingsrapport dat de kwekerij al vanaf augustus 2020 bestond, ondersteund door technische en getuigenbevindingen.
De Raad oordeelde dat appellant de vooronderstelling dat hij exploitant was niet heeft ontzenuwd en dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door de kwekerij niet te melden. Ook als hij niet de exploitant was, had hij dit moeten melden. Omdat appellant geen inzicht gaf in de aard en omvang van de activiteiten, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de intrekking en terugvordering van de bijstand blijven in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens exploitatie van een hennepkwekerij worden bevestigd.