ECLI:NL:CRVB:2026:938

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
24/2641 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 PWArt. 58 PWArt. 475b RvArt. 475c RvArt. 475d Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand wegens te lang verblijf in buitenland en schending inlichtingenplicht

Appellante ontving een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) naast het AOW-pensioen van haar overleden echtgenoot. Na een verblijf in Suriname, langer dan de toegestane vier weken, en zonder melding hiervan aan de Sociale Verzekeringsbank (Svb), werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd.

De Svb handhaafde dit besluit na bezwaar. Appellante voerde aan dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien, zoals de dialyse-afhankelijkheid en het overlijden van haar echtgenoot, haar lage inkomen en schulden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.

De Raad oordeelde dat de terugvordering niet door de Svb is veroorzaakt, maar door het feit dat appellante haar inlichtingenplicht schond. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze schending haar niet te verwijten valt. De persoonlijke omstandigheden van appellante waren geen reden voor de Svb om af te zien van terugvordering. De financiële gevolgen worden beschermd door beslagvrije voetregels.

De Centrale Raad van Beroep concludeert dat de belangenafweging van de Svb niet onevenwichtig was en dat de terugvordering terecht in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: De terugvordering van bijstand wegens te lang verblijf in het buitenland en schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.

Uitspraak

24/2641 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2024, 24/3419 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Zitting heeft: A.M. Overbeeke
Griffier: A.T. Dannenberg
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 juli 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. G.P. Dayala, advocaat, en [naam] , maatschappelijk werker. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
De inmiddels overleden echtgenoot van appellante (A) ontving een onvolledig ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). In aanvulling op dit AOW-pensioen ontvingen A en appellante bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling).
Op [datum 1] 2022 zijn A en appellante samen naar Suriname gegaan. A is op [datum 2] 2022 in Suriname overleden. Appellante is op [datum 3] 2022 teruggekeerd naar Nederland. Op 20 juli 2022 heeft de dochter van appellante bij de Svb gemeld dat A was overleden.
Met een besluit van 15 februari 2023 (besluit 1) heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellante met ingang van 4 mei 2022 ingetrokken. Met een afzonderlijk besluit van diezelfde datum (besluit 2) heeft de Svb over de periode van 4 mei 2022 tot en met 31 juli 2022 een bedrag van € 1.522,28 aan gemaakte kosten van AIO-aanvulling van appellante teruggevorderd. Met een besluit van 7 mei 2024 (bestreden besluit) heeft de Svb, na bezwaar, de besluiten 1 en 2 gehandhaafd. De reden voor de intrekking en terugvordering is dat appellante langer in het buitenland heeft verbleven dan de toegestane periode van vier weken en dat zij geen melding heeft gedaan bij de Svb van haar vertrek naar het buitenland en haar te lange verblijf aldaar. Als gevolg van haar te lange verblijf in het buitenland heeft appellante vanaf 4 mei 2022 ten onrechte AIO-aanvulling ontvangen.
Tijdens de zitting bij de rechtbank is besproken dat het geschil zich beperkt tot de terugvordering en dan meer in het bijzonder tot de vraag of sprake is van (zeer) dringende redenen die voor de Svb aanleiding hadden moeten zijn om van terugvordering af te zien.
De rechtbank heeft met de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is de Svb verplicht de gemaakte kosten van AIO-aanvulling van appellante terug te vorderen, tenzij sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, en artikel 58 van Pro de PW. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zeer dringende redenen. Aangezien de uitsluiting van het recht op AIO-aanvulling dwingend voortvloeit uit een wet in formele zin is voor een belangenafweging geen ruimte.
De Svb is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Svb besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 [1] tot uitdrukking heeft gebracht moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
8. Appellante heeft aangevoerd dat sprake is van dringende redenen om af te zien van terugvordering. De oorzaak van de terugvordering is niet gelegen in enige verwijtbaarheid aan de zijde van appellante, maar in een uitzonderlijke en tragische samenloop van omstandigheden: de dialyse-afhankelijkheid van A, het overlijden en de uitvaart van A in Suriname en het daaropvolgende rouwproces. Daarnaast moet volgens appellante in aanmerking worden genomen dat zij over een laag inkomen beschikt en ook nog andere schulden heeft in Suriname, zoals zij ter zitting heeft toegelicht.
9. Op grond van wat appellante naar voren heeft gebracht heeft de Svb bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen.
9.1. Allereerst is van belang dat de terugvordering niet is ontstaan of opgelopen door toedoen van de Svb, maar het gevolg is van het feit dat appellante was uitgesloten van het recht op bijstand en zij bovendien de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van haar vertrek naar en verblijf in Suriname. Haar betoog dat de oorzaak van de terugvordering niet is gelegen in enige verwijtbaarheid aan haar zijde en dat de Svb dat had moeten laten meewegen treft geen doel. Met haar stelling heeft appellante namelijk nog niet aannemelijk gemaakt dat de schending van de inlichtingenverplichting haar niet te verwijten valt. Hoewel de Raad begrijpt dat de situatie waarin appellante op dat moment verkeerde stressvol en emotioneel was, is gesteld noch gebleken dat appellante de Svb niet had kunnen informeren over de situatie.
9.2. Verder leiden ook de door appellante gestelde financiële gevolgen van de terugvordering niet tot de conclusie dat de Svb tot een andere afweging van de betrokken belangen had moeten komen. Voor de financiële gevolgen van de terugvordering geldt namelijk dat appellante bij de invordering als schuldenaar de bescherming geniet van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
9.3. De persoonlijke omstandigheden van appellante hoefden ook overigens voor de Svb geen aanleiding te zijn om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Appellante heeft duidelijk haar persoonlijke situatie naar voren gebracht en deze is niet in geschil. Deze situatie is echter niet ontstaan door de terugvordering en ook niet daardoor verergerd.
10. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt met verbetering van gronden bevestigd. Dit betekent dat de terugvordering in stand blijft.
10. Dit betekent ook dat appellante geen vergoeding voor proceskosten en griffierecht krijgt.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) A.T. Dannenberg (getekend) A.M. Overbeeke