ECLI:NL:CRVB:2026:949

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
25/560 WMO15
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 2.3.2 Wmo 2015Art. 2.3.5 Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag duofiets als maatwerkvoorziening Wmo 2015 bevestigd

Appellante, geboren in 2010 met een verstandelijke beperking en psychische problematiek, vroeg het college om een duofiets als maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. Het college wees de aanvraag af omdat appellante met hulp van haar vader en familie lopend of met de auto alle relevante bestemmingen kan bereiken en zo voldoende kan participeren.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond en oordeelde dat het college zorgvuldig onderzoek had verricht en dat recreatieve doeleinden zoals een fietstocht met de duofiets niet onder de compensatieplicht van de Wmo vallen. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college terecht geen aanvullend medisch onderzoek heeft verricht en dat het ondersteuningsplan een juist beeld geeft van de situatie van appellante. Verder is vastgesteld dat appellante met de beschikbare vervoersmogelijkheden in redelijke mate kan participeren. De recreatieve aanvraag voor de duofiets levert geen aanvullende compensatieplicht op omdat appellante ook zonder duofiets voldoende participatie kan realiseren.

Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de aanvraag blijft in stand. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor een duofiets als maatwerkvoorziening wordt bevestigd omdat appellante voldoende kan participeren met eigen mogelijkheden en hulp van familie.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
25/560 WMO15
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 februari 2025, 23/7748 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe (college)
Datum uitspraak: 16 juli 2026

SAMENVATTING

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag om een maatwerkvoorziening, bestaande uit een duofiets. Volgens appellante heeft het college onzorgvuldig onderzoek verricht en had het college haar de maatwerkvoorziening in de vorm van een duofiets moeten verstrekken. De Raad geeft appellante geen gelijk. Appellante kan, gebruik makend van de voor haar beschikbare vervoersmogelijkheden, in redelijke mate participeren.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van Andel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 mei 2026. Voor appellante zijn mr. Van Andel en [naam neef] (neef van appellante) verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Percin en G. van Groningen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 2010, is bekend met een verstandelijke beperking en psychische problematiek. Appellante heeft een indicatie voor zorg op grond van het bepaalde bij of krachtens de Wet langdurige zorg (Wlz).
1.2.
Namens appellante is een aanvraag ingediend om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015), bestaande uit een duofiets. Naar aanleiding hiervan heeft het college onderzoek gedaan naar de situatie van appellante en een ondersteuningsplan opgesteld.
1.3.
Met een besluit van 14 augustus 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 3 november 2023 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante op eigen kracht met haar vader, lopend of met de auto gebracht door familieleden, alle voor haar relevante bestemmingen kan bereiken en dat zij zonder duofiets in staat is om wezenlijke sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Daarmee is sprake van aanvaardbare maatschappelijke participatie.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat het college de hulpvraag van appellante voldoende heeft onderzocht en het onderzoek voldoende zorgvuldig heeft uitgevoerd. Voor zover de duofiets is aangevraagd als vervoersvoorziening, kan appellante de voor haar relevante bestemmingen, met behulp van anderen, lopend of met de auto bereiken. Niet is gebleken dat appellante niet in haar vervoersbehoefte kan voorzien. Voor zover de duofiets is aangevraagd voor recreatieve doeleinden, heeft de rechtbank overwogen dat recreatieve doeleinden onder de compensatieplicht van de Wmo 2015 kunnen vallen indien deze bijdragen aan participatie in de samenleving. De duofiets is aangevraagd om samen met (voornamelijk) vader een recreatieve fietstocht te maken in het bos en zodoende te genieten van de buitenlucht en in beweging te blijven. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat daarvoor geen compensatieplicht geldt.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de afwijzing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Zorgvuldigheid van het onderzoek
4.1.
Appellante heeft aangevoerd dat het college onzorgvuldig onderzoek heeft verricht, onder meer omdat het college geen medisch adviseur om advies heeft gevraagd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.1.1.
De Raad heeft eerder uiteengezet welk onderzoek het college op grond van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning dient te verrichten. [1] Daarbij is ook geoordeeld dat, voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist, een specifiek deskundig oordeel en advies niet zullen kunnen ontbreken.
4.1.2.
De medische situatie en beperkingen van appellante staan tussen partijen niet ter discussie. Het college heeft de (omvang van de) ondersteuningsbehoefte van appellante bepaald tijdens een huisbezoek waarbij appellante, haar vader en [naam neef] aanwezig waren. Dat hierbij zaken zijn gemist, is niet gebleken. Appellante heeft in bezwaar een brief van klinisch psycholoog Kouratovsky en het verslag van een diagnostisch onderzoek door Reinaerde overgelegd. Ook uit deze stukken blijkt niet dat het ondersteuningsplan een onjuist of onvolledig beeld geeft van haar (medische) situatie. Gelet op het voorgaande valt niet in te zien waarom het college niet heeft mogen beslissen op de aanvraag van appellante zonder medisch onderzoek. Ook anderszins heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek van het college onzorgvuldig is geweest.
Duofiets als maatwerkvoorziening
4.2.
Appellante heeft aangevoerd dat een duofiets noodzakelijk is als vervoersmiddel omdat zij daarmee naar de voor haar relevante bestemmingen vervoerd kan worden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het onderzoek van het college is gebleken dat appellante zich lopend kan verplaatsen en over lange afstanden door haar familie vervoerd wordt met de auto. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de voor haar relevante bestemmingen in onvoldoende mate kan bereiken. Dat appellante niet lopend of met de auto alle door haar gewenste bestemmingen zou kunnen bereiken, maakt niet dat het college gehouden is aan haar een maatwerkvoorziening in de vorm van een duofiets te verstrekken. Appellante kan namelijk, gebruik makend van de voor haar beschikbare mogelijkheden, in redelijke mate participeren. [2]
4.3.
Appellante heeft verder aangevoerd dat zij met een duofiets met haar vader, familieleden of zorgverleners een recreatieve fietstocht in het bos kan maken en op die manier kan participeren.
4.3.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat belemmeringen bij activiteiten die primair recreatief of ontspanningsgericht zijn buiten de Wmo 2015 vallen. Deze opvatting miskent de betekenis van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015. Uit deze bepaling vloeit voort dat, in geval van in die bepaling genoemde beperkingen en onder de daar vermelde voorwaarden, het college een maatwerkvoorziening verstrekt waarmee een passende bijdrage wordt geleverd aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Criterium is dus niet het al of niet aanwezig zijn van een recreatieve doelstelling, maar de mate waarin een voorziening een passende bijdrage vormt aan de zelfredzaamheid en participatie van de betrokkene.
4.3.2.
Uit het dossier blijkt dat appellante ook zonder duofiets in redelijke mate kan participeren, bijvoorbeeld door middel van familiebezoek, een wandeling in de natuur of op de dagbesteding. De stelling dat appellante slechts 40 tot 50 meter kan lopen is niet onderbouwd. Uit het ondersteuningsplan blijkt juist dat appellante graag buiten wandelt. Dat appellante, anders dan tijdens een wandeling, op een duofiets niet plotseling en agressief zou (kunnen) reageren op drukke of voor haar onverwachtse situaties is evenmin aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat appellante de beperkingen in de participatie op eigen kracht, met hulp van haar vader en familieleden, voldoende kan verminderen. Het college heeft de aanvraag van appellante om een maatwerkvoorziening dan ook terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders als voorzitter en C.W.C.A. Bruggeman en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van A.A. Verweij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.

(getekend) K.H. Sanders

(getekend) A.A. Verweij

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wmo 2015
Artikel 2.3.5, derde lid
Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Voetnoten

1.Uitspraak van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819.
2.Vergelijk de uitspraak van 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:224.