ECLI:NL:CRVB:2026:951
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting door niet opgegeven extra werkuren
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Appellant werkte vanaf 1 juli 2023 bij een supermarkt en gaf minder uren op dan daadwerkelijk gewerkt. Het college legde een verplichting op om weekstaten in te leveren, waarop appellant ongeveer acht uur per week aangaf te werken. Na een onderzoek met waarnemingen en een gesprek concludeerde het college dat appellant meer uren werkte dan opgegeven, wat op geld waardeerbare werkzaamheden zijn.
Het college trok de bijstand per 28 juli 2023 in en vorderde de kosten terug over die periode. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellanten voerden aan dat appellant slechts incidenteel hielp en niet meer uren werkte dan opgegeven. De Raad oordeelde dat aanwezigheid op de werkplek tijdens gebruikelijke uren de veronderstelling van arbeid rechtvaardigt, en appellanten slaagden er niet in het tegendeel aannemelijk te maken.
De Raad bevestigde dat appellant vanaf 28 juli 2023 meer werkte dan gemeld en daarmee de inlichtingenverplichting schond. Omdat appellanten geen inzage gaven in de omvang van werkzaamheden en inkomsten, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De intrekking en terugvordering bleven in stand en appellanten kregen geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet opgegeven extra werkuren worden bevestigd.