ECLI:NL:CRVB:2026:951

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
24/2028 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 ParticipatiewetArt. 54 ParticipatiewetArt. 58 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting door niet opgegeven extra werkuren

Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Appellant werkte vanaf 1 juli 2023 bij een supermarkt en gaf minder uren op dan daadwerkelijk gewerkt. Het college legde een verplichting op om weekstaten in te leveren, waarop appellant ongeveer acht uur per week aangaf te werken. Na een onderzoek met waarnemingen en een gesprek concludeerde het college dat appellant meer uren werkte dan opgegeven, wat op geld waardeerbare werkzaamheden zijn.

Het college trok de bijstand per 28 juli 2023 in en vorderde de kosten terug over die periode. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellanten voerden aan dat appellant slechts incidenteel hielp en niet meer uren werkte dan opgegeven. De Raad oordeelde dat aanwezigheid op de werkplek tijdens gebruikelijke uren de veronderstelling van arbeid rechtvaardigt, en appellanten slaagden er niet in het tegendeel aannemelijk te maken.

De Raad bevestigde dat appellant vanaf 28 juli 2023 meer werkte dan gemeld en daarmee de inlichtingenverplichting schond. Omdat appellanten geen inzage gaven in de omvang van werkzaamheden en inkomsten, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De intrekking en terugvordering bleven in stand en appellanten kregen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet opgegeven extra werkuren worden bevestigd.

Uitspraak

24/2028 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 juli 2024, 23/2732 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Deventer (college)
Datum uitspraak: 21 juli 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over een intrekking en terugvordering van bijstand omdat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet te melden dat appellant meer heeft gewerkt bij de supermarkt dan hij heeft opgegeven aan het college. Deze werkzaamheden worden door het college als op geld waardeerbare werkzaamheden aangemerkt. Doordat appellant ontkent dat hij meer uren werkzaam is geweest dan hij heeft opgegeven kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Appellanten zijn het hiermee niet eens. Appellant heeft geholpen in een noodsituatie en hij komt ook bij de supermarkt langs om boodschappen te doen en koffie te drinken. De Raad volgt appellanten hierin niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 juni 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Aslan. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F.L.H. Deuzeman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellanten ontvangen sinds 1 november 2022 bijstand van het college op grond van de Participatiewet naar de norm voor gehuwden. Appellant is per 1 juli 2023 gaan werken bij een supermarkt te [woonplaats]. De inkomsten worden maandelijks in mindering gebracht op de bijstand. Met een besluit van 31 mei 2023 heeft het college aan appellant, onder meer, de verplichting opgelegd dat hij over de periode van 31 mei 2023 tot en met 31 augustus 2023 weekstaten moet inleveren waarop de werktijden van appellant staan vermeld. Appellant heeft weekstaten ingeleverd over de maand juli 2023. Daarin heeft hij aangegeven dat hij ongeveer acht uur per week werkt. Over de maand augustus 2023 heeft appellant geen weekstaten ingeleverd omdat hij vakantie had.
1.2.
Naar aanleiding van een gerezen vermoeden dat appellant meer uren werkt dan door hem is opgegeven heeft een sociaal rechercheur van het Team Inkomensondersteuning van het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Daarbij is dossieronderzoek gedaan, zijn in de periode van 21 juli 2023 tot en met 22 augustus 2023 waarnemingen gedaan in de omgeving van de supermarkt en heeft een gesprek met appellant plaatsgevonden. De resultaten van het onderzoek staan in een rapport van 7 september 2023.
1.3.
Met een besluit van 14 september 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 6 december 2023 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellanten vanaf 28 juli 2023 ingetrokken en de kosten van bijstand over de periode van 28 juli 2023 tot en met 31 juli 2023 van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 170,13. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet te melden dat appellant vaker heeft gewerkt dan in de weekstaten is aangegeven. Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellanten
3. Appellanten zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over intrekking van de bijstand vanaf 28 juli 2023 en terugvordering over de periode van 28 juli 2023 tot en met 31 juli 2023 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Intrekking
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 28 juli 2023, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 14 september 2023, de datum van het besluit waarbij de uitkering is ingetrokken.
4.2.
Intrekking van de bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. In dit geval betekent dit dat het college aannemelijk moet maken dat appellanten in de periode waar het hier om gaat de inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet te melden dat appellant meer werkzaamheden verrichtte dan hij heeft opgegeven.
4.3.
Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellant vanaf 28 juli 2023 meer heeft gewerkt dan door hem is opgegeven. Het college heeft ten onrechte uit de verrichte waarnemingen de conclusie getrokken dat appellant op dat moment werkzaam was.
4.4.
De aanwezigheid van een betrokkene op zijn werkplek tijdens gebruikelijke arbeidsuren rechtvaardigt de vooronderstelling dat hij gedurende alle uren waarop hij daar aanwezig is op geld waardeerbare arbeid verricht. Dit is vaste rechtspraak. [1] Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellanten zijn daarin niet geslaagd.
4.5.
In de periode 28 juli 2023 tot en met 22 augustus 2023 heeft de sociale recherche op verschillende dagen en tijden waarnemingen gedaan in de omgeving van de supermarkt. De waarnemingen zijn vergeleken met de door appellant ingeleverde weekstaten. Daarbij werd op 28 juli 2023 gezien dat appellant goederen uitlaadde en bij de winkel zette, onder andere met behulp van een pallettruck. Op 11 augustus 2023 werd gezien dat appellant kratten verplaatste naast de bedrijfsauto met een geopende achterklep die opzij van de zaak stond geparkeerd. Op 22 augustus 2023 stond de bedrijfsauto eveneens opzij van de zaak met een geopende achterklep geparkeerd en werd gezien dat appellant aan het werk was terwijl hij kratten verplaatste met een palletkar. Tijdens de waarnemingen zijn foto’s gemaakt van de door appellant verrichte werkzaamheden.
4.6.
Doordat de tijdens de waarnemingen verrichte werkzaamheden niet overeen kwamen met de informatie op de door appellant ingevulde weekstaten hebben een sociaal rechercheur en een inkomensconsulent op 7 september 2023 een gesprek met appellant gevoerd. Daarbij heeft appellant niet ontkend dat hij de persoon op de getoonde foto’s is. Appellant heeft ontkend dat hij op deze dagen heeft gewerkt. Over de waarneming op 28 juli 2023 heeft hij verklaard dat de laadklep van de bakwagen kapot was en toen de goederen uit de bakwagen heeft geladen. Hij is die dag met de bakwagen bij de garage geweest. Er was een noodsituatie, waardoor hij even heeft geholpen. Over de waarnemingen op 11 en 22 augustus 2023 heeft appellant verklaard dat hij altijd boodschappen doet bij de supermarkt. Hij drinkt er ook een kop koffie en is er niet altijd om te werken. Soms pakt hij wat verse groenten uit en als er iets fout staat dan zet hij dat even recht. Hij woont dicht bij de supermarkt en weet dat de baas net is begonnen, daarom helpt hij hem af en toe. Verder heeft appellant verklaard dat hij de weekstaten naar waarheid heeft ingevuld. Appellant heeft de door hem afgelegde verklaringen ondertekend.
4.7.
In hoger beroep heeft appellant deze verklaring gehandhaafd. Hij is op 28 juli 2023 ook slechts zeer kort aanwezig geweest op de werklocatie. Appellant heeft erop gewezen dat de beschrijving van de observatie van 28 juli 2023 in het rapport van 7 september 2023 afwijkt van die in het Dossieroverzicht, als bijlage bij het rapport. De Raad oordeelt met de rechtbank dat hier moet worden uitgegaan van wat is vastgelegd in het rapport van 7 september 2023, waarbij ook van belang is de tijdens de waarneming op die dag om 09.15 uur gemaakte foto van appellant op de werkplek. Appellant heeft verder gesteld dat zijn aanwezigheid op de werkplek op 11 augustus 2023 ook van korte duur was en hij toen een korte broek en slippers droeg, wat al duidelijk maakt dat hij op die dag niet werkzaam kan zijn geweest. Deze omstandigheden maken echter niet dat appellant toen geen op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte. Bovendien blijkt ook uit de op 28 juli 2023 gemaakte foto dat appellant tijdens de door hem verrichte werkzaamheden slippers droeg.
4.8.
Uit 4.6 en 4.7 volgt dat appellant vanaf 28 juli 2023 meer heeft gewerkt dan hij heeft gemeld. Dit zijn op geld waardeerbare werkzaamheden. Appellanten hebben daarom de inlichtingenverplichting geschonden.
4.9.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige, dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Daarbij dienen ook de door de betrokkene in de fase van beroep en hoger beroep alsnog verstrekte gegevens te worden betrokken. Dit is vaste rechtspraak. [2]
4.10.
Nu appellanten ontkennen dat appellant extra uren heeft gewerkt en zij geen inzage hebben gegeven in de daadwerkelijke omvang van zijn werkzaamheden en evenmin in zijn inkomsten daaruit, heeft het college aannemelijk gemaakt dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
4.11.
De grond dat de intrekking van de bijstand in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel omdat het college vanaf 19 september 2023 weer bijstand aan appellanten heeft toegekend terwijl er feitelijk niets is veranderd, slaagt niet. De toekenning van bijstand met ingang van die datum berust immers op een nieuwe aanvraag om bijstand. Die aanvraag ziet op een andere datum en het college heeft de aanvraag beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden op dat moment.
Terugvordering
4.12.
Tegen de (hoogte van de) terugvordering hebben appellanten geen gronden aangevoerd.

Conclusie en gevolgen

4.13.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking en terugvordering in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgen appellanten geen vergoeding voor hun proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.F.E. van Olden-Smit in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.

(getekend) C.F.E. van Olden-Smit

(getekend) M.J.D. van Haren

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 54, derde lid
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58, eerste lid
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 september 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU2890.
2.Zie de uitspraak van 12 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1120, en de uitspraak van 29 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2710.