ECLI:NL:CRVB:2026:965

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
25/2427 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
  • B. Serno
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 2 van de WuboArtikel 2 van de WuvArtikel 1 van de AOR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag toekenningen op grond van de oorlogswetten wegens ontbreken directe betrokkenheid

Appellant heeft meerdere keren verzocht om erkenning en toekenningen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers (Wubo), de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers (Wuv) en de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Deze verzoeken zijn telkens afgewezen omdat niet is gebleken dat appellant direct betrokken was bij oorlogsgeweld, vervolging heeft ondergaan of oorlogsgebeurtenissen heeft meegemaakt die onder deze wetten vallen.

De Raad heeft het beroep van appellant behandeld en vastgesteld dat zijn eigen verklaringen niet worden ondersteund door objectieve gegevens die specifiek op zijn situatie betrekking hebben. Zo is er geen bevestiging van zijn verblijf in kampen tijdens de Bersiap-periode, noch van de huiszoekingen en bombardementen die hij heeft meegemaakt. Ook de verklaring van zijn zuster berust op mondelinge overlevering en ontbreekt objectief bewijs.

Verder is overwogen dat algemene oorlogsomstandigheden, zoals slechte hygiëne en voedselsituaties, niet onder de werking van de oorlogswetten vallen. Ook kan een ongeboren vrucht niet als betrokkene worden aangemerkt. De Raad verklaart de beroepen ongegrond en handhaaft de bestreden besluiten, waardoor appellant geen aanspraak kan maken op de gevraagde toekenningen.

Uitkomst: De aanvragen van appellant om toekenningen op grond van de oorlogswetten worden afgewezen wegens gebrek aan bewijs van directe betrokkenheid.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/2427 WUBO, 25/2428 WUV, 25/2429 AOR
Uitspraak in de gedingen tussen
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
Datum uitspraak: 23 juli 2026

SAMENVATTING

In deze zaken gaat het om de vraag of appellant aanspraken kan ontlenen aan de Wubo, de Wuv en/of de AOR. De Raad is met verweerder van oordeel dat geen bevestiging is verkregen dat appellant een omstandigheid heeft meegemaakt die onder de werking van een van deze oorlogswetten kan worden gebracht.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroepen ingesteld tegen een drietal besluiten van verweerder van 19 september 2025. Dit betreft de Wubo [1] (bestreden besluit 1), de Wuv [2] (bestreden besluit 2) en de AOR [3] (bestreden besluit 3).
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaken behandeld op een zitting van 18 juni 2026
.Appellant is verschenen bijgestaan door [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] als gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel .

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren op [geboortedatum] 1943 , heeft in januari 1989 verzocht om erkenning als burgeroorlogsslachtoffer en om toekenningen op grond van de Wubo. Met een besluit van 15 mei 1990 heeft (de rechtsvoorganger van) verweerder de aanvraag afgewezen omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Hiertegen heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2.
In mei 2000 heeft appellant opnieuw verzocht om toekenningen op grond van de Wubo. Appellant heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die volgens hem een gevolg zijn van zijn geboorte in een schuilkelder te [plaats] in voormalig Nederlands-Indië tijdens een bombardement, het door hem meemaken van verscheidene huiszoekingen en zijn slechte gezondheid en de slechte medische situatie tijdens de oorlogsjaren. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen met een besluit van 31 januari 2001 op de grond dat niet is gebleken dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo
.Het tegen het besluit 31 januari 2001 gemaakte bezwaar is met een besluit van 21 juni 2001 niet-ontvankelijk verklaard. Het hiertegen ingediende beroep is door de Raad ongegrond verklaard [4] .
1.3.
Appellant heeft in augustus 2024 nogmaals verzocht om toekenningen op grond van de Wubo. Met een besluit van 29 april 2025 heeft verweerder het verzoek afgewezen en de afwijzing na bezwaar gehandhaafd met bestreden besluit 1. Verweerder is van mening dat er geen reden is de eerdere besluiten in het kader van de Wubo te herzien omdat appellant geen relevante nieuwe gegevens of feiten heeft vermeld. Verder is voor verweerder niet gebleken dat de eerdere besluiten niet juist zijn geweest.
1.4.
In september 2024 heeft appellant verzocht om toekenningen op grond van de Wuv en de AOR. Verweerder heeft de Wuv-aanvraag afgewezen met een besluit van 29 april 2025 en het hiertegen gemaakte bezwaar met bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Verweerder is van mening dat appellant geen vervolging heeft ondergaan en dat ook niet is gebleken dat appellant handelingen of maatregelen in de zin van de Wuv heeft ondergaan of te vrezen had. De AOR-aanvraag is door verweerder afgewezen met een besluit van 29 april 2025. Het hiertegen gemaakte bezwaar is met bestreden besluit 3 ongegrond verklaard omdat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is dat gemaakt dat appellant heeft verkeerd in oorlogsomstandigheden in de zin van de AOR.

Het oordeel van de Raad

2. De Raad beoordeelt of verweerder terecht de aanvragen van appellant om toekenningen op grond van de Wubo, de Wuv en/of de AOR (hierna: de oorlogswetten) heeft afgewezen. Hij doet dit aan de hand van de argumenten die in de beroepen zijn aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat de beroepen niet slagen.
2.1.
De beroepsgrond dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de door appellant gestelde gebeurtenissen treft geen doel. Er is informatie ingewonnen bij het SAIP [5] , het Rode Kruis, het Nationaal Archief en de bij verweerder aanwezige dossiers van de broers en zuster van appellant zijn geraadpleegd. Daarbij is ook betrokken een verklaring van zijn zuster [gemachtigde 2] .
2.2.
Voor toelating tot de oorlogswetten geldt als eerste voorwaarde dat een aanvrager respectievelijk direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld [6] , dan wel vervolging heeft ondergaan [7] of oorlogsgebeurtenissen [8] heeft meegemaakt. Pas als een zodanige (persoonlijke) betrokkenheid is vastgesteld kunnen de medische gevolgen daarvan aan de orde komen. Verder is het vaste rechtspraak [9] dat een door betrokkene genoemde gebeurtenis niet uitsluitend op grond van zijn of haar eigen verklaring als voldoende vaststaand kan worden aangemerkt. Een dergelijke verklaring moet worden ondersteund door aanvullende (objectieve) gegevens. Deze moeten bovendien betrekking hebben op de situatie van de betrokkene zelf en niet slechts op de algemene situatie ter plekke, waarin de gestelde gebeurtenissen zouden kunnen passen.
2.3.
Appellant heeft aan zijn aanvragen onder meer ten grondslag gelegd dat hij is geboren in een schuilkelder te [plaats] in voormalig Nederlands-Indië tijdens een bombardement, hij huiszoekingen door Japanners heeft meegemaakt, tijdens een van de huiszoekingen zijn broer een kussen op het gezicht van appellant heeft gedrukt zodat hij geen geluid zou maken en dat hij geïnterneerd is geweest in [kamp 1] . Er zijn evenwel geen gegevens aanwezig, die de gestelde gebeurtenissen bevestigen.
2.4.
Verder heeft appellant aangegeven dat hij tijdens de zogenoemde Bersiap-periode mogelijk geïnterneerd is geweest in [kamp 2] . Ook van een verblijf in dit kamp is geen bevestiging verkregen. De verklaring van de zuster van appellant, zoals ook door haar ter zitting is gegeven, kan niet leiden tot een ander oordeel. Haar verklaring berust niet op eigen waarneming maar op gesprekken die zij met haar moeder heeft gehad. Objectieve gegevens die de verklaring van appellants zuster ondersteunen, zijn niet aanwezig. Daargelaten dat een bevestiging van het verblijf ontbreekt, heeft het [kamp 2] tijdens de Bersiap-periode dienst gedaan als opvangkamp. Zoals de Raad al meermalen heeft overwogen [10] , kan een verblijf in een dergelijk kamp als zodanig niet worden aangemerkt als een gebeurtenis die onder de werking van één van de oorlogswetten valt. Ook van bijkomende omstandigheden zoals bijvoorbeeld beschietingen, bombardementen en onlusten in het kamp, die dan in de directe nabijheid van appellant zouden moeten hebben plaatsgevonden, is geen bevestiging gekregen in het onderzoek.
2.5.
Appellant heeft verder nog gewezen op zijn gezondheidsproblemen die hij in verband brengt met het gebrek aan voedsel en de slechte hygiëne waaronder zijn moeder heeft geleefd tijdens de zwangerschap, wat op hem als ongeboren vrucht heeft doorgewerkt, en waaronder hij heeft geleefd tijdens zijn eerste levensjaren. Slechte voedselsituatie en slechte hygiëne tijdens de oorlogsjaren zijn evenwel algemene oorlogsomstandigheden, waaraan eenieder in meerdere of mindere mate heeft blootgestaan, en vallen om die reden niet onder de werking van één van de oorlogswetten. Voor zover appellant een vergelijk heeft gemaakt met de situatie in Nederland tijdens de zogenoemde hongerwinter wordt opgemerkt dat de Raad al eerder heeft overwogen [11] dat de hongerwinter een gevolg van algemene oorlogsomstandigheden betreft. Verder is het vaste rechtspraak [12] dat een ongeboren vrucht niet kan worden aangemerkt als een betrokkene in de zin van de oorlogswetten en is wat de moeder is overkomen niet een gebeurtenis waardoor degene die later uit de moeder is geboren in persoon is getroffen.

Conclusie en gevolgen

2.6.
De beroepen slagen dus niet. Dit betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven.
3. Omdat de beroepen niet slagen krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B. Serno in tegenwoordigheid van M.J.D. Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026.

(getekend) B. Serno

(getekend) M.J.D. Haren

Voetnoten

1.Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.
2.Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.
3.Algemene Oorlogsongevallenregeling.
4.Uitspraak van 23 oktober 2002, 01/3916 WUBO (niet gepubliceerd).
5.Stichting Administratie Indonesische Pensioenen.
6.Artikel 2 van Pro de Wubo.
7.Artikel 2 van Pro de Wuv.
8.Artikel 1 van Pro de AOR.
9.Bijvoorbeeld de uitspraak van 21 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2808.
10.Bijvoorbeeld de uitspraken van 21 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:261, van 28 oktober 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR5489 en van 8 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2500.
11.Bijvoorbeeld de uitspraak van 29 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO1873.
12.Bijvoorbeeld de uitspraak van 6 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1319.