Belanghebbende, een buitenlandse student die zich in 2017 inschreef voor een masteropleiding in Nederland, betaalde in juni 2017 een bedrag van €27.000, bestaande uit collegegeld en kosten van levensonderhoud. Hij bracht in zijn belastingaangifte een aftrek van scholingskosten in mindering, maar de inspecteur wees dit af omdat de betaling plaatsvond voordat belanghebbende binnenlands belastingplichtige was.
Belanghebbende stelde dat de betaling een depotstorting betrof, omdat het collegegeld zou worden terugbetaald indien geen visum werd verleend, en dat de daadwerkelijke betaling pas bij aanvang van de studie plaatsvond. De rechtbank oordeelde echter dat de betaling het collegegeld betrof dat verschuldigd was voor inschrijving en visumaanvraag, en daarmee een betaling ter delging van een schuld was, geen depotstorting.
Daarnaast werd vastgesteld dat de uitspraak op bezwaar te laat werd gedaan, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële-schadevergoeding van €500. De rechtbank wees het beroep ongegrond, maar veroordeelde de inspecteur tot betaling van deze vergoeding, proceskosten van €837 en het griffierecht van €49.
De uitspraak bevestigt dat voor aftrek van scholingskosten de betaling moet zijn gedaan door een binnenlands belastingplichtige of kwalificerende buitenlands belastingplichtige, en dat betalingen voorafgaand aan het binnenlands belastingplichtig zijn niet aftrekbaar zijn als scholingskosten.