ECLI:NL:GHAMS:2008:BC9297
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging afwijzing verzoek wettelijke schuldsaneringsregeling wegens ontbreken goede trouw
Appellant, vennoot van een vennootschap onder firma die een transportbedrijf exploiteert, verzocht om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank wees dit verzoek af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek te goeder trouw was geweest. Ook speelde mee dat er een verzoek tot faillietverklaring van de vennootschap liep.
In hoger beroep stelde appellant dat de schulden betrekking hadden op de bedrijfsuitoefening en dat hij de omstandigheden die tot de schulden leidden onder controle had gekregen, mede door de overdracht van het bedrijf aan een speciaal opgerichte besloten vennootschap. Het hof oordeelde echter dat de overdracht van het bedrijf als going concern zonder enige vergoeding aan de v.o.f., terwijl de vennoten wisten dat zij niet meer aan hun verplichtingen konden voldoen, de crediteuren benadeelde.
Het hof stelde vast dat appellant op de hoogte was van deze gang van zaken en deze niet heeft kunnen voorkomen, waardoor niet aannemelijk is geworden dat hij te goeder trouw was. Dit leidt tot de bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank. Het hof zag geen aanleiding om toepassing te geven aan een uitzondering op grond van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wegens ontbreken van goede trouw.