ECLI:NL:GHAMS:2009:BI0061
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke beoordeling van rentevordering uit legaat na overlijden erflater
Belanghebbende verkreeg door het overlijden van erflater op 30 oktober 1999 een legaat bestaande uit een rentevordering op belanghebbende zelf. De centrale vraag was of de rentevordering al dan niet tot het belastbare inkomen van belanghebbende behoorde en wanneer de rente als genoten kon worden aangemerkt.
Het Hof stelde vast dat de erfgenaam de rente niet heeft genoten omdat deze gehouden was het legaat af te geven aan belanghebbende. Hierdoor kon geen genietingsmoment bij een ander dan belanghebbende worden aangewezen. De rentevordering werd vanaf het moment van overlijden opeisbaar, waardoor de rente in 1999 vorderbaar en inbaar was en dus als genoten kon worden beschouwd.
Het Hof verwierp het eerdere oordeel dat de rentevordering was omgezet in een niet-rentedragende lening, omdat daarvoor een overeenkomst tussen partijen vereist is en die niet was aangetoond. Het beroep van belanghebbende werd daarom ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
De procedure kende meerdere verwijzingen en cassaties, waarbij de Hoge Raad het geschil steeds terugverwees voor nadere beoordeling. Uiteindelijk bevestigde het Hof dat de rentevordering belastbaar was in 1999 en dat het beroep van belanghebbende niet slaagde.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 31 maart 2009.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting over 1999 wordt gehandhaafd.