ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1926
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op kinderkorting en alleenstaande-ouderkorting op grond van vertrouwensbeginsel
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de weigering van de Belastingdienst om voor het jaar 2004 kinderkorting, aanvullende kinderkorting, alleenstaande-ouderkorting en aanvullende alleenstaande-ouderkorting toe te kennen. Deze kortingen werden geweigerd omdat zijn kinderen niet op hetzelfde adres als hij stonden ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, een vereiste onder de Wet inkomstenbelasting 2001.
Belanghebbende stelde dat hij op grond van het vertrouwensbeginsel mocht vertrouwen op de eerdere indeling in tariefgroep 5 bij de aanslagregeling inkomstenbelasting 1998 en op het feit dat zijn aangiften over 2001, 2002 en 2003 zonder nader onderzoek waren gevolgd. Ook stelde hij dat de inspecteur onzorgvuldig had gehandeld door hem niet te informeren over de gewijzigde inschrijvingseis.
Het Hof oordeelde dat het verschil tussen de oude Wet IB 1964 en de Wet IB 2001 zodanig is dat geen vertrouwen kan worden ontleend aan de eerdere indeling. Ook het volgen van eerdere aangiften zonder onderzoek geeft geen recht op vertrouwen omdat de Belastingdienst expliciet aangeeft dat definitieve aanslagen kunnen afwijken na controle. De inspecteur heeft bovendien niet onzorgvuldig gehandeld omdat de informatie over de inschrijvingseis voldoende kenbaar was via het voorlichtingsmateriaal.
Het Hof bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en wees het beroep van belanghebbende af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat belanghebbende geen recht heeft op de kinderkorting en alleenstaande-ouderkorting over 2004.