ECLI:NL:GHAMS:2009:BK7680
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1997 met discussie over termijnverlenging en bewijslast
Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van een BV, kreeg voor het jaar 1997 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd met een boete. De inspecteur stelde dat er een geldige afspraak was over verlenging van de navorderingsaanslagtermijn, maar niet over de termijn voor het opleggen van een verhoging. Belanghebbende had de aangifte niet tijdig ingediend, waardoor de omkering en verzwaring van de bewijslast op grond van artikel 27e AWR van toepassing was.
Het Hof oordeelde dat de afspraak over verlenging van de aanslagtermijn ook navorderingsaanslagen betrof, maar niet impliciet de bevoegdheid tot het opleggen van een verhoging. De verhoging werd daarom als onbevoegd opgelegd volledig kwijtgescholden. Verder werd vastgesteld dat een deel van de commissiegelden die de BV betaalde als uitdeling van winst aan belanghebbende moest worden aangemerkt, en dat belanghebbende onvoldoende bewijs leverde om dit te weerleggen.
Het Hof vermindert het belastbaar inkomen en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Tevens veroordeelt het de inspecteur in de proceskosten en gelast vergoeding van griffierechten. De uitspraak is gedaan door de belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 19 november 2009.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de navorderingsaanslag 1997 verminderd en de verhoging volledig kwijtgescholden.