ECLI:NL:GHAMS:2010:BM0993
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over voorlopige aanslag en vertrouwensbeginsel in inkomstenbelasting
In deze zaak staat centraal of de inspecteur bij de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2004 gehouden is hetzelfde standpunt in te nemen als bij de voorlopige aanslag, waarin een fout was gemaakt waardoor belanghebbende een hogere aftrek van buitengewone uitgaven kreeg toegekend dan zij had opgegeven.
Belanghebbende had handmatig aangifte gedaan waarbij zij een bedrag van € 2.550 aan algemene uitgaven vermeldde, maar geen drempelbedrag invulde. Door een fout bij de verwerking door uitzendkrachten werd een onjuist bedrag verwerkt, wat leidde tot een voorlopige aanslag met een teruggaaf van € 1.049. De definitieve aanslag stelde het belastbaar inkomen echter hoger vast, zonder aftrek van buitengewone uitgaven, wat resulteerde in een te betalen bedrag van € 1.028 plus heffingsrente.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard omdat de fout niet aan haar kon worden toegerekend en zij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de voorlopige aanslag. Het hof oordeelt echter dat de uitzonderlijke omstandigheden die een inspecteur binden aan het standpunt van een voorlopige aanslag hier ontbreken. De fout in de voorlopige aanslag kan niet gelijk worden gesteld aan een uitdrukkelijke standpuntbepaling en het vertrouwensbeginsel is niet van toepassing.
Het hof vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en bevestigt de uitspraak van de inspecteur, behoudens de heffingsrente die wordt vervallen. Er is geen sprake van schending van beginselen van behoorlijk bestuur en geen proceskostenveroordeling wordt uitgesproken.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de inspecteur niet gebonden is aan de fout in de voorlopige aanslag en wijst het beroep van belanghebbende af.