ECLI:NL:GHAMS:2010:BM7573
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid wegens geschonden vertrouwensbeginsel na sepotmededeling
Verdachte werd verdacht van het doen van opzettelijk onjuiste aangiften en valsheid in geschrifte over meerdere jaren. Na een sepotmededeling van het openbaar ministerie, waarin werd aangegeven dat de zaak anders dan strafrechtelijk zou worden afgedaan, werd verdachte een transactie aangeboden door de belastingdienst. Deze transactie gold als strafrechtelijke afdoening, maar verdachte ging hier niet op in.
Desondanks werd verdachte gedagvaard en stelde hij een bezwaarschrift in tegen deze dagvaarding. De rechtbank verklaarde het bezwaarschrift gegrond en stelde verdachte buiten vervolging, omdat het vertrouwensbeginsel was geschonden: verdachte mocht erop vertrouwen niet strafrechtelijk vervolgd te worden.
De officier van justitie ging hiertegen in hoger beroep, stellende dat de transactie een nieuwe omstandigheid vormde en dat zwaarwegende belangen het vertrouwensbeginsel konden doorbreken. Het hof oordeelde echter dat verdachte redelijkerwijs mocht vertrouwen op niet-strafrechtelijke afdoening en dat het aanbieden van de transactie in strijd was met de sepotbeslissing. Zwaarwegende belangen ontbraken, zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel gerechtvaardigd is en de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bevestigd wordt.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat verdachte niet strafrechtelijk vervolgd kan worden vanwege het geschonden vertrouwensbeginsel na een onvoorwaardelijke sepotmededeling.