ECLI:NL:GHAMS:2010:BN8636
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- E.A.G. van der Ouderaa
- J. den Boer
- H.E. Kostense
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering aftrek herrekening langlopende verplichting en werknemersopties
In deze zaak staat centraal of een vennootschap haar langlopende betalingsverplichting mag herwaarderen tegen een lagere marktrente en of de kosten van een werknemersoptie-regeling aftrekbaar zijn voor de vennootschapsbelasting. De vennootschap had een verplichting om een koopsom te betalen in 2020, die zij op haar balans tegen een rente van 7,57% had gewaardeerd. Zij wenste deze verplichting te herrekenen tegen een lagere rekenrente van 4%, hetgeen door de inspecteur werd afgewezen.
Daarnaast ging het geschil over de aftrekbaarheid van een last van € 2.520.000 in verband met de toekenning van opties op cumulatief preferente aandelen aan werknemers. De vennootschap baseerde haar aftrek op een forfaitaire waarderingsmethode, terwijl de inspecteur stelde dat deze opties geen waarde vertegenwoordigen en dat het forfait niet van toepassing is.
Het Hof oordeelde dat de betalingsverplichting een rentedragende schuld betreft met een overeengekomen rente en dat herwaardering tegen een lagere marktrente niet in overeenstemming is met goed koopmansgebruik. Ten aanzien van de opties concludeerde het Hof dat de kenmerken van de cumulatief preferente aandelen zo afwijken van gewone aandelen dat het forfaitaire waarderingsvoorschrift niet van toepassing is en dat de economische waarde van de opties nihil is. De aftrekpost voor de optiekosten wordt daarom geweigerd.
Het Hof bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De vennootschap kan geen aftrek nemen voor de herrekening van de langlopende verplichting en de optiekosten, hetgeen leidt tot een hogere belastbare winst.
Uitkomst: Het Hof bevestigt dat herrekening van de langlopende verplichting tegen lagere marktrente niet is toegestaan en dat de optiekosten niet aftrekbaar zijn wegens nihil economische waarde.