ECLI:NL:GHAMS:2011:BP6118
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging naheffingsaanslag fosfaatheffing wegens onvoldoende bewijs lagere mestaanvoer
Belanghebbende, een landbouwer, kreeg voor het jaar 1999 een naheffingsaanslag opgelegd wegens overschrijding van de fosfaatnorm door vermeende te hoge aanvoer van kippenmest. De inspecteur stelde de hoeveelheid fosfaat vast op basis van verklaringen van een medewerker van de leverancier en administratieve gegevens.
Belanghebbende voerde aan dat minder mest was aangevoerd dan vastgesteld en betwistte de tijdigheid van de naheffingsaanslag en de geldigheid van de Minas-regelgeving wegens vermeende strijd met de Nitraatrichtlijn. Het Hof oordeelde dat het aanslagbiljet tijdig was verzonden en dat de Minas-regelgeving niet onverbindend was.
De kern van het geschil betrof de hoeveelheid aangevoerde mest. Het Hof achtte de verklaring van de medewerker, vastgelegd onder ambtseed, betrouwbaar en vond dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat minder dan 442 ton mest was geleverd. De naheffingsaanslag werd daarom bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Het Hof wees tevens op de administratieve tekortkomingen van belanghebbende bij het bijhouden van afleveringsbewijzen, waardoor de inspecteur in redelijkheid de hoeveelheid mest kon vaststellen. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bekrachtigd.
Tenslotte werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 17 februari 2011 in het openbaar gedaan door het Gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag fosfaatheffing wordt bevestigd.