ECLI:NL:GHAMS:2011:BR5237
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake aftrek scholingsuitgaven en schadevergoeding belastingplichtige
Belanghebbende maakte in zijn aangifte inkomstenbelasting 2005 een bedrag van € 15.000 aan scholingsuitgaven voor zijn echtgenote in aftrek. De inspecteur weigerde deze aftrek wegens gebrek aan bewijs van daadwerkelijke uitgaven. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het beroep tegen heffingsrente niet-ontvankelijk. In hoger beroep vernietigde het hof de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen de heffingsrente ontvankelijk.
Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de scholingsuitgaven daadwerkelijk zijn gedaan. Verwijzing naar een adviesboekenlijst en een leningsoverzicht volstond niet als bewijs. De facturen voor kennistoetsen dateren uit 2006 en kunnen niet worden toegerekend aan 2005. Het beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel werd niet besproken omdat geen aftrekgrond bestond.
Ten aanzien van de heffingsrente oordeelde het hof dat deze terecht in rekening is gebracht. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat het beroep ongegrond is en het verzoek niet gebaseerd is op overschrijding van een redelijke termijn. Het hof veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en stelde een geringe kostenvergoeding vast.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.