ECLI:NL:GHAMS:2011:BV3044
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- H.E. Kostense
- E.A.G. van der Ouderaa
- H.N. van der Kolk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over aftrekbaarheid honorarium adviseurs en vergrijpboete in inkomstenbelasting 2001
Belanghebbende voerde in haar aangifte inkomstenbelasting 2001 betalingen van ƒ 34.385 op als 'honorarium adviseurs', bestaande uit een schikkingsbedrag aan de curator van het faillissement van haar echtgenoot en advocaatkosten. De inspecteur corrigeerde deze aftrekpost en legde een vergrijpboete op wegens het bewust onjuist opvoeren van privé-uitgaven als zakelijke kosten.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de betalingen zakelijk waren en bevestigde de aanslag en boete, hoewel met een matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn. In hoger beroep stelde belanghebbende dat de betalingen voortvloeiden uit een vordering op grond van artikel 479a Rv en dat zij recht had op meewerkaftrek.
Het Hof stelde vast dat belanghebbende als ondernemer redelijkerwijs kon aannemen dat zij door de curator als derde werd aangesproken en dat een deel van de kosten (één derde) zakelijk was. De rest werd als privé-uitgave aangemerkt. De vergrijpboete werd verminderd tot ƒ 3.575 vanwege overschrijding van de redelijke termijn en het pleitbare karakter van de aftrekbaarheid van een deel van de kosten. Het Hof verwierp het beroep op meewerkaftrek en bevestigde dat de vordering op de echtgenoot niet mocht worden afgewaardeerd.
Uitkomst: Het hof acht één derde van de honorariumkosten aftrekbaar, vermindert de vergrijpboete tot ƒ 3.575 en bevestigt het ontbreken van recht op meewerkaftrek.